4 jaar en 10 meter Mijn hart klopt, Mijn bloed drukt, Mijn oren horen, Mijn vingertop suikert.
Mijn reactie is vermogend, Mijn vigilantie, uh… vigilent, Mijn concentratie is geconcentreerd, Mijn aandacht is - dacht ik - aandachtig.
Mijn persoonlijkheid heb ik ingeleverd, Mijn psychopatisch karakter goed verborgen, Mijn verzet heb ik in stelling gebracht, Mijn toekomstplannen psychologisch geduid.
Geschikt om weer vier jaar, Treinen te besturen. Mijn brein leeft z’n eigen leven, De rest van mijn lichaam jubelt.
Alleen mijn ogen zijn negatief. Maar als iedereen op tien meter afstand blijft, Zie ik haarscherp, Precies wat ik wil zien.
Klik op de foto voor een medisch verslag van een spoorkeuring.
Wit Vlekje
We hadden dezelfde - heel opvallend - kleuren gebruikt: de lucht was blauw, het paard bruin en de wei groen. Toch was de tekening van Richard veel mooier. Zijn paard leek te leven. Het keek je aan, daagde je uit, rook naar vochtig gras, ademde. Het mijne stond erbij alsof het al bij de paardenslager was geweest en nu wachtte tot er een plaatsje vrij kwam in de vitrine. Waar kon dat aan liggen? Centimeter na centimeter speurde ik beide kunstwerken af op zoek naar het verschil.
Pas toen ik teleurgesteld afstand nam, zag ik het. Richard had een klein, wit vlekje getekend op de zijkant van het linker voorbeen van het paard. Helemaal bovenin op de flank. Het overtrekpapier was doorzichtig grijs, dus had hij een wit kleurpotlood gebruikt. Het enige potlood dat nog altijd in volle lengte, scherp geslepen, ongebruikt in de kleurdoos zat. Want een wit potlood, dat zag je toch niet op papier?
Dat ene, kleine vlekje reflecteerde de zon en maakte het verschil tussen licht en donker, leven en dood. Ik heb naar dat lichtpuntje gekeken tot ik letterlijk vlekken voor mijn ogen kreeg. En ik ben Richard nog altijd dankbaar dat die vlekken nooit meer zijn weggegaan. Ik zie ze in de concertzaal, ik zie ze in het theater en een enkele keer zie ik ze op straat. Na een vergiftiging met aceton, zag ik bijna niets anders. De neuroloog en de oogarts keken raar op toen ik zei dat ik vlekken zag. Ze onderzochten mijn ogen en maakten een MRI-scan van mijn hersenen. ‘Het is niet helemaal normaal,’ zei de neuroloog, peinzend naar het scherm kijkend, ‘maar het is ook niets ernstigs.’
Niet ernstig, maar niet normaal. Niet ernstig niet normaal. Wat heb jij? O, ik ben niet ernstig niet normaal. Daar kan ik mee leven. Ik zou niet anders willen. Dat witte vlekje maakt niet langer enkel het verschil tussen licht en donker, dag en nacht, helder en duister, leven en dood; het bevat ook mijn herinneringen. Mijn ziel, alles wat ik was en ben, van mijn twaalfde tot de dag van vandaag, ligt besloten in die enkele bewegingen met een wit kleurpotlood, die mijn ogen openden.
In de grauwheid van de nevel is de spanning bijna tastbaar. Treinen treden elkaar afwachtend tegemoet. We will all go down together. Dat zeggen ze allemaal, maar uiteindelijk zal er wel een winnaar tevoorschijn komen. Tragiek of triomf, deze winter zal het duidelijk worden.
Kanker-sprookje
maar wel echt gebeurd
...Waarom staat hier in hemelsnaam sprookje boven, als twee mensen aan een vreselijke ziekte overlijden? Omdat sprookjes hun schepper overleven. En zolang sprookjes doorverteld worden, blijft de geest van de personen aan wie ze zijn opgedragen, ademen. Alleen sprookjes kunnen de vragen die overblijven beantwoorden: Wat zou er gebeurd zijn als de ziekte bij de dochter een voorspelbaarder verloop had gehad, haar een maand extra tijd had geschonken? Dan was haar moeder waarschijnlijk eerder overleden dan zijzelf. Zou dat toeval zijn geweest, of was de moederbelofte de kanker over te nemen zo intens, dat het De Dood onmogelijk was die wens te negeren?
Een moeder die haar kind voor de tweede maal lucht in de longen blaast, haar bloed laat stromen, haar hart laat kloppen en haar geest doet ontwaken. Misschien was het daadwerkelijk gebeurd. In sprookjes kan het. Luisteren sprookjes zelf, na het eten, bij kaarslicht, naar verhalen die eens, lang geleden, over mensen werden verteld? Zouden sprookjes ook in staat zijn in te grijpen in de mensenwereld? Kan het wonder van wederopstanding werkelijk bestaan?
Ik ben overtuigd van de kracht van sprookjes. Ik denk het wel.
Het moment van de waarheid was aangebroken. Tijd voor de definitieve, de ultieme test. Zouden wij een pact sluiten of voor eeuwig elkaars vijanden worden? Bijna drie jaar na de opleiding, ging ik voor het eerst twee stellen SLT splitsen. Zonder er verder bij na te denken, stak ik de sleutel in het slot en draaide hem om. De SLT reageerde kalm en zelfverzekerd. Het diagnosescherm gaf netjes de treinsamenstelling aan, de verschrikkelijke Maz 220 was bezig met de controle van de ATB, niets wees op naderwervelende storingen en problemen. Dat was niet in lijn met de rest van de dag. Er wordt door sommige muzikanten beweerd dat een slechte generale en goede uitvoering oplevert, maar ik heb altijd meer heil gezien in het repeteren van de noten tot ik mijn partij beheerste. Ik keek voorzichtig de cabine rond en mijn oog viel op de parkeerrem. Onheil en rampspoed! De lamp was uit!
(Alle verhalen die zich afspelen in de wereld van masjinist, berusten op pure fantasie. Elke gelijkenis met bestaande personen of werkelijke situaties, is louter toevallig. Masjinist is een speelgoedmachinist van plastic, zijn wereld - een modelbaan op de zolder van een boerderij - wordt bestuurd door drie kinderen. Elke overeenkomst met de NS (Nederlandse Spoorwegen) wordt met klem van de hand gewezen.)
Neverending Story
De deuren scharnierden zwaar, met een extra krachtinspanning lukte het haar ook dat obstakel te nemen. Daarmee hield het wel op, want er was geen drukknop in de lift te bekennen. Alleen een sleutelgat met de woorden ‘perron’ en ‘kelder’ op twee kleine stickers ernaast geplakt. Welke sleutel moest daar nu in? Vast één die zij niet bezat. Vermoeid duwde ze de deur weer open. Toen zag ze op de buitenkant van de deur een briefje hangen. Verdorie, moest ze haar leesbril weer gaan zoeken.
Ze had zich de moeite kunnen besparen, want er stond slechts vermeld dat er een liftjongen gewaarschuwd moest worden. Het telefoonnummer was te vinden in de railpocket. Railpocket? Railpocket? Ze kon zich niet herinneren dat woord ooit eerder gehoord te hebben. Ze had vorige maand wel een tjipkaart ontvangen, zat daar dan een boekje bij? Als dat zo was had ze het vast goed opgeborgen, zeker niet in haar tas gestopt. Niemand had haar verteld dat je een pocket mee moest nemen als je met de trein reisde. Ze voelde hoe haar knieën knikten en leunde zwaar op haar rollator. Waar kon ze die liftjongen nu vinden? Er was niemand te zien op het perron.
Masjinist keek naar de beelden op de televisie die de kinderen aan hadden laten staan toen ze gingen eten. Allemaal thuis, bij hun eigen ouders. Op Maryse na, die het hele weekend bij haar oma bleef logeren. Hij stond stokstijf langs zijn locomotief op de grond. Van verbijstering vergat hij zelf te ademen. Treinen die hij zo goed kende, die hij tot zijn persoonlijke vrienden rekende, werden naar metaalopkopers gereden, gesleept of zelfs per vrachtwagen of boot vervoerd. Met als enige doel een einde aan hun leven te maken. Een gruwelijk einde, mag wel gezegd worden. Masjinist kon het niet aanzien, maar hij moest blijven kijken.
Met grote branders werden de uitstekende delen van de trein ruw geamputeerd. Een trein heeft ook gevoel hoor, wilde masjinist schreeuwen. Maar er kwam geen geluid uit zijn keel. Daar viel de geleidehoorn van de koppeling op de betonnen vloer. De metalen schreeuw van pijn sneed masjinist door het hart. Zouden alle treinen zo eindigen als ze oud en versleten waren? Masjinist kon het zich niet voorstellen. Hij kon zich niet eens voorstellen dat hij zelf ooit oud zou worden.
Zijn de treinen nou te kort, verspreiden reizigers zich niet goed over het perron, zijn de treinen te lang, waardoor de sociale veiligheid in het gedrang komt, kan een hoger aantal staanplaatsen het tekort aan zitplaatsen compenseren? Het gaat Masjinist boven zijn pet. Toch vangt hij weleens iets op, via de Tam-Tam.
Mooi grijs is niet lelijk
Grijstinten Vormen ook een kleur In het bestaan Al is grijs worden Een teken van tijd En niet van Een stoffig leven
…en andere Grote Kunstenaars, brengen een belangrijk deel van hun leven in fantasie door. Het oeuvre dat ze nalaten, bevat daar slechts een fractie van. Zie je een componist maar voor de helft, dan dwaalt de andere helft door zijn eigen fantasie, op zoek naar nieuwe creaties. Vijftig procent zichtbaarheid is voor een Kunstenaar heel normaal. Verdwijnt hij voor tachtig procent, dan kun je spreken van een vakidioot. Een eigenwijze, zijn zin doordrijvende, met niemand rekening houdende, onhebbelijke persoonlijkheid, die door alles en iedereen gehaat wordt. Totdat hij de echte wereld de vrucht van zijn fantasie toont. Dan is hem alles vergeven.
Het wordt pas echt gevaarlijk als je de Kunstenaar helemaal niet meer ziet. Als hij zich voor honderd procent heeft teruggetrokken in zijn eigen wereld. Misschien kan iemand die hem door en door kent, hem uit zijn fantasie terughalen. Die kans is echter zeer klein. De Kunstenaar die weg is, blijft weg. Die komt nooit meer terug.
De meeste zijn ondertussen gevallen, maar een paar dagen geleden kleurde het spoor nog oranje, rood en geel onder een dikke laag herfstbladeren. Het lijkt wel of ze in Weert hopen dat de Koninklijke familie weer langswipt op 30 april. De (oranje)rode loper hebben ze alvast uitgerold...