Banken die met overheidssteun gered moeten worden terwijl de directie miljoenenbonussen op blijft strijken. Het hoofd van een liefdadigheidsorganisatie die een vertrekpremie krijgt waarmee hij volgens zijn eigen website tientallen scholen had kunnen laten bouwen, geld dat bovendien door vrijwilligers bij elkaar is gesprokkeld. Het lijkt erop dat de verschillende onderdelen van een bedrijf vaak geen enkele voeling meer met elkaar hebben. Componist Philip Glass bedacht voor zijn opera Akhnaten een bijzondere oplossing.
Hij zat namelijk met een probleem. De Opera in Stuttgart, waar de première plaats zou vinden, werd verbouwd en de orkestbak was nu te klein voor een compleet symfonieorkest. Glass nam geen halve maatregelen. In plaats van alle groepen kleiner te maken, schrapte hij de vioolpartijen. Een ongehoord besluit daar violen altijd het belangrijkste instrument binnen een symfonieorkest waren geweest. Het aanvankelijk gegniffel van de andere instrumentalisten sloeg al snel om in paniek. De hoge en snelle melodiepartijen van de violen moesten nu gespeeld worden op instrumenten die daar niet voor gebouwd waren. Blazers zochten tevergeefs naar een plek om adem te halen, cellisten streken hun schouder bijkans uit de kom en bassisten zag het letterlijk zwart voor de ogen.
Hoe zou dat er uitzien bij de NS? Het schrappen van alle vioolpartijen komt overeen met het naar huis sturen van het voltallig rijdend personeel. Kantoormensen moeten hun toetsenbord verruilen voor een treincabine, de voorzittershamer wordt vervangen door een kniptang en managers lopen servicerondes door de trein. Dienstindelers hebben geen idee wie waartoe bevoegd is en plaatsen zelfs de directie op de stoptrein naar Almere. Er is geen betere manier om begrip te kweken voor andermans werk.
De opera van Philip Glass werd een daverend succes. Toch werden de violisten na afloop van de serie met open armen ontvangen. De band met de overige orkestleden is sindsdien beter dan ooit. Wie weleens een klassiek concert bezoek ziet daarvan nog steeds het bewijs. Het eerste dat een dirigent na opkomst doet, is de eerste violist, ook wel concertmeester genoemd, een hand geven.
De muziek die je hoort is een fragment uit de opera: Hymn to the sun.
Confessions
Ik lijk iets te hebben met Barok de laatste tijd. Hoewel het beslist niet mijn favoriete muziekstijl is, kom ik het in Muziekcentrum Frits Philips dit seizoen steeds weer tegen. Op woensdagavond 25 november was de Holland Baroque Society aan de beurt. De muziek was echter verre van Barok te noemen. Eerder het tegendeel.
Het ging om een concert in de Confessions-tour van componist en dirigent Nico Muhly, singer-songwriter Teitur en de eerder genoemde Holland Baroque Society. Via de website van de tour konden bezoekers bekentenissen en YouTube-filmpjes uploaden. Muhly en Teitur maakten bij een selectie daaruit vervolgens de muziek.
Het werd een prachtige avond. Zelfs het voorprogramma was bijzonder. Nooit eerder heb ik iemand hardrock op de luit horen spelen. Jozef van Wissem kreeg het voor elkaar. Inclusief headbangen en lichtshow.
Na een opkomst in slow-motion, geheel in de stijl van moderne componisten, was het de beurt aan de hoofdact. Nico Muhly, tevens bekend van de soundtrack van de film The Reader, had eerder samengewerkt met Philip Glass en Antony Hegarty. Hij was verantwoordelijk voor de prachtige arrangementen op de cd The Crying Light van Antony and the Johnsons. Maar bovenal had hij goed naar Philip Glass geluisterd. Dat was deze avond goed te horen. De muziek in combinatie met de veelal absurde teksten – I love the smell from my printer in the morning - deed me onmiddellijk denken aan Songs from liquid days. Het geluid van het barokgezelschap was minstens zo karakteristiek als het eigen geluid van het Philip Glass Ensemble.
Neem daarbij het warme stemgeluid van Teitur en je hebt een topavond. Elke letter werd duidelijk gearticuleerd uitgesproken. Alsof de zanger slechts een paar meter van je af stond. De lang aangehouden noten werden helder gezongen en eindigden niet in een brei van vibrato. Soms werd er gelachen om een absurde tekstwending, soms werd bij enkele toeschouwers enige irritatie hoorbaar. If you wait a little longer stelde de zaal dan ook flink op de proef.
If
If you
If you wait
If you wait a little
If you wait a little longer
Uiteindelijk bleken we op niets te wachten. Philip Glass had dat trucje al eerder uitgehaald in Einstein on the beach:
Would
Would I
Would I get
Would I get some
Would I get some wind
Would I get some wind for
Would I get some wind for the
Would I get some wind for the sailboat.
Helaas is er nog geen cd opname van de Confessions-tour beschikbaar. Liefhebbers van Antony and the Johnsons maar vooral van Philip Glass’ Liquid days kunnen hem zodra die beschikbaar is ongehoord kopen. Tot die tijd zullen we het met een paar YouTube-filmpjes moeten doen.
Klantvriendelijk Wijchen
Donderdagmorgen 26 november. Het begint net te regenen als ik station Wijchen binnenrijd. Terwijl de spoorbomen vóór mij dalen, komt er nog een jonge vrouw aanrennen. De eerste boom is nog niet helemaal dicht, maar als de tweede geen hoek van 90 graden met het spoor maakt, dan is het toch zeker 91 graden. De hoofdconducteur heeft het ook gezien en roept mij op via portofoon op:
‘Klom die vrouw net onder de bomen door meester?’
‘Nou, het is op zijn minst een twijfelgeval.’
‘Zal ik haar de toegang weigeren?’
‘Ach, misschien zag ze het niet goed door die paraplu.’
‘Maar ze zal de belletjes toch wel gehoord hebben?’
‘Ik denk dat ze water in haar oren had.’
Als iemand nou nog durft te beweren dat deze machinist zich niet goed in zijn reizigers kan verplaatsen…
*******
Bach in Scandinavië
Een merkwaardig programma op dinsdag 24 november 2009 in Muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven. Concerto Copenhagen voert daar, samen met het Lets Radio Koor, werken uit van Johann Sebastian Bach en Arvo Pärt. De enige overeenkomst tussen deze componisten is dat van beide een Magnificat op het programma staat. De Antiphonen van Pärt zijn echter ruim 250 jaar later geschreven dan het werk van Bach.
Dat maakt de binnenkomst in het Muziekcentrum extra spannend. Moderne componisten trekken over het algemeen een wat jonger publiek, Bach moet het vooral van de senioren hebben. Dat de slechts half gevulde zaal een nogal wit/grijze indruk maakt, toont aan dat men voornamelijk voor Bach komt. Naast mij zijn twee vrouwen van over de zeventig druk in discussie over het gemak van een mobiele telefoon. Geen mobieltje, maar een echte Engelse mobile. Verder vertelt één van de twee over het gebruik van Google op haar labtop. Een aardige paradox; de jeugd heeft de toekomst maar de hedendaagse muziek moet het van de ouderdom hebben. Misschien heb ik me in het publiek vergist.
Al bij opkomst van de muzikanten en koorleden, zie je dat het een Scandinavisch avondje gaat worden. De nette kostuums kunnen het rauwe van de mannelijke zangers en orkestleden niet verbergen. Vrijwel allemaal hebben ze lang haar. Sommigen in een staartje. De zangeressen uit het koor hebben óf het zwarte haar op een lelieblanke huid dat hun gezicht volkomen ondoorgrondelijk maakt, óf ze hebben lange roodblonde haren tot over hun schouders waardoor het lijkt alsof ze uit één van de vele noordelijks sagen of legendes zijn weggelopen.
Het wordt allereerst een feest om nar te kijken en te luisteren. De Ouverture van Suite nr. 1 in C van Johann Sebastian Bach wordt met veel zwier uitgevoerd. Dirigent Lars Ulrik Mortensen staat regelmatig op van zijn kruk aan de klavecimbel om met grootse gebaren zijn orkest aanwijzingen te geven. Zijn wilde haren vliegen daarbij alle kanten op, net als die van de eerste violist. Niets wijst erop dat dit in de oerversie kerkmuziek is geweest. Een swingend applaus is het gevolg.
Dan is het de beurt aan het Lets Radio Koor met dirigent Sigvards Klava. De eerste vier Antiphonen van het Magnificat van de Estse componist Arvo Pärt. Hoewel de inzetten niet altijd spatgelijk zijn, is de toon haarzuiver. Het eerste deel, ‘O Weisheit’, klinkt nog heel verstild. Veel unisono, tintinnabuli-stijl zoals Pärt het zelf noemt, naar het Latijnse woord voor ‘klokken’. Maar gaandeweg het tweede deel, ‘O Adonai’, wordt de muziek complexer. De componist laat noten lang aanhouden en daardoor ontstaan er allerlei dissonanten tussen de verschillende partijen. Moeilijk te zingen, dat blijkt wel uit het feit dat één van de zangers tijdens het uitvoeren van het werk een stemvork moet gebruiken om zuiver te kunnen inzetten. En dan het volume! Wat een kracht laat dit, toch niet groot wat omvang betreft, koor horen. Een cellist houdt heel discreet een hand voor zijn rechteroor. Het volume doet even denken aan het geluid van het Finse schreeuwkoor Mieskuoro Huutajat, maar dan zonder te schreeuwen. Overweldigend mooi. Kippenvel. ‘O komm und öffne den Kerker der Finsternis und die Fessel des Todes.’ Passender muziek bij deze tekst kan ik me nauwelijks voorstellen. Voor zover ik kan beoordelen, is dat ook de reactie van het deel van het publiek dat eigenlijk alleen voor Bach aanwezig is.
Na de pauze klinkt het Magnificat in D, BWV 243, van Johann Sebastian Bach. Hoewel koor, orkest en solisten nu samen klinken, halen ze volume noch intensiteit van de Antiphonen van Pärt. Misschien komt het door het gebruik van historische instrumenten, maar vooral in de delen met slechts één enkele solist, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het niet geheel zuiver is. De twee dwarsfluiten daarentegen klinken als één instrument. Ook de stem van countertenor Iestyn Davies vloeit wondermooi samen met het orkest. Vuyani Mlinde zingt een prachtige bas en valt als geboren Zuid-Afrikaan in voornamelijk Scandinavisch gezelschap wel heel erg op. De sopranen komen beter tot hun recht in samenzang met andere solisten of in tutti-gedeelten. Waarschijnlijk de prijs die je moet betalen om historisch juist te willen musiceren.
Al met al een prachtige avond, al had van mij de balans iets meer in de richting van Arvo Pärt, of een andere hedendaagse componist mogen gaan. Misschien was dat programmatechnisch niet handig geweest en had het publiek gekost, maar een werk van Górecki in plaats van de suite van Bach?
Blijft er nog een klein puntje van kritiek over. Mensen van het Muziekcentrum die maar niet willen begrijpen dat muziek een taal is die je met alle zintuigen moet proeven. Ik wil zo min mogelijk afgeleid worden door mijn omgeving, versmelten met hetgeen op het podium gebeurt. In de cabine van een trein doe je in het donker ook de binnenverlichting uit zodat je beter naar buiten kunt kijken. Doe dan ook de zaalverlichting uit zodat de aandacht geheel op het podium is gericht. De tekst van het Magnificat van Bach bestaat uit ongeveer even regels als er delen zijn. Elke zin wordt talloze malen herhaalt en het is bovendien in het Latijns. Maar bovenal het geritsel van papier tijdens de verstilde klanken van Arvo Pärt, dat kan echt niet. Degene die besloten heeft de zaalverlichting aan te laten mag wat mij betreft….
Nee. Laat ik een fantastische avond niet bederven.
Op het droge
Luisteren naar de klant, dat is een goede manier om de service op peil te houden en de reiziger tevreden. Het gevaar van het stelselmatig informeren naar de wensen van de treingebruiker, is echter dat de stem van de meerderheid gaat overheersen en die van de enkeling niet gehoord wordt. Een voorbeeld daarvan zijn de missers die gemaakt zijn bij de invoering van de OV-chipkaart als het gaat om blinde gebruikers. Geleidehond noch blinde zelf weten nu de doorgangsrichting of maatschappij van de poortjes bepalen, een fout die niet gemaakt zou zijn als er niet alleen naar de grootste gemene deler was gekeken. En uiteindelijk wreekt de zonderling zich altijd!
Vorige week reed ik met de intercity langs een boerderij in de buurt van het plaatsje Haelen. Vlak voor de brug over de Maas stond een boot van vrij fors formaat in het weiland. In Roermond vertelde ik enigszins lacherig aan de hoofdconducteur dat we iemand gepasseerd waren die een nieuwe zondvloed verwachtte. De hc keek mij wat zuur aan.
‘Ik weet wie je bedoelt,’ zei hij bedachtzaam. ‘Die man zat vroeger bij mij op school. Hij had een spraakgebrek, hij maakte van elke letter A een E. Iedereen lachte hem daarom uit. En ik was wel de grootste pestkop van allemaal. Hoe geet het keerel, ik zeeg je leetst op de merkt. Maar dan veel gemener. We hielden pas op als hij huilend naar huis liep.
‘Achteraf blijkt hij de verstandigste van ons allemaal te zijn geweest. Hij heeft een prachtig huis en hoeft de rest van zijn leven niet meer te werken. Die boot heeft hij voornamelijk voor mij vlak naast het spoor gezet. Hij weet dat ik waarschijnlijk tot mij 67ste door moet werken. Met die boot zegt hij op zijn eigen, unieke wijze: Ik hem mijn schaapjes op het droge!’