Het was op een grijze, regenachtige najaarsochtend in 2004. Ik was net een paar maanden bevoegd om zelfstandig als machinist op de vrije baan te werken. Ik reed de stoptrein van Eindhoven naar Breda, toen ik bij de laatste overweg iets dicht tegen de grond zag bewegen. In eerste instantie dacht ik dat het twee vogels waren, vooral omdat ze bleven zitten terwijl de bomen sloten. Het komt vaak voor dat kraaien of andere aaseters zich tegoed doen aan de kadavers van doodgereden dieren. Ik toeterde een keer toen ze naar mijn gevoel te lang bleven zitten.
De regendruppels en de slechte ruitenwissers op de trein hadden mijn beeld echter schrikbarend vertekend. Wat er vervolgens gebeurde liet mijn hart een paar slagen overslaan. In plaats van vogels die wegvlogen, kwam er een jonge vrouw overeind die mij een ogenblik recht in de ogen keek. Terwijl mijn hand in een reflex naar de remkraan ging, rende een tweede vrouw de overweg op en trok de eerste met zich mee in de richting van de berm. Terwijl ik de overweg nog altijd met een flinke snelheid passeerde, zag ik de twee vrouwen samen, gehurkt achter een meterkastje zitten. De ene met haar handen voor haar gezicht, de andere met haar armen beschermend om de schouders van de eerste.
Ik liet de remkraan los om niet enkele honderden meters voorbij de overweg tot stilstand te komen, maar door te kunnen rijden naar het station. Hevig geschrokken belde ik de treindienstleider met de mededeling dat ik zojuist getuige was geweest van een poging tot zelfdoding. Ik gaf de kilometrering van de plaats des onheils door en liet me in mijn stoel terugzakken. De laatste paar kilometer leken tijd en ruimte gescheiden te zijn. Ik begon aan alles te twijfelen. Was het wel echt wat ik gezien had, maar vooral, klopte de kilometrering wel die ik doorgegeven had. Voor mijn gevoel duurde het laatste stuk zo lang dat die afstand nooit kon kloppen.
In Breda wist ik niet goed wat ik zou gaan doen. Ik moest de trein ombouwen om terug te rijden naar Eindhoven, maar mijn knieën knikten zo hevig dat ik mezelf daartoe nauwelijks in staat achtte. Ik wist ook dat ik niet terug hoefde te rijden. Een machinist die net een bijna-aanrijding heeft gehad, wordt op verzoek direct van de trein gehaald en opgevangen. Maar twijfel en nieuwsgierigheid overwonnen het van mijn angst. Ik moest weten of ik de juiste informatie door had gegeven, of de vrouwen inderdaad door hulpverlenende instanties waren aangetroffen en – misschien wel het belangrijkste – of ik juist gehandeld had.
Terwijl ik naar de voorkant van de trein liep, kwam ik de hoofdconducteur tegen. ‘Ik had er net bijna iemand onder zitten,’ vertelde ik in het voorbijgaan. ‘Ja,’ zei ze, ‘ik hoorde je toeteren.’ Ze leek de ernst van de zaak niet in te zien. Blijkbaar had ik mijn lichaam en stem beter in bedwang dan ik zelf kon vermoeden. Met een gortdroge keel en niet helemaal zeker van mijn zaak, vetrok ik toch uit Breda. Terwijl ik opnieuw op weg ging naar de bewuste overweg, belde de treindienstleider om me een lastgeving Voorzichtig Rijden te geven. Aan haar medelevende stem hoorde ik dat ze wist tegen welke machinist ze sprak en dat de boodschap voorzichtig te doen eigenlijk overbodig was.
Al ver voor de overweg zag ik de blauwe zwaailampen van twee politieauto’s. Ik had me niet vergist in de kilometrering. De twee vrouwen lagen nog in precies dezelfde houding tegen het meterkastje. Links en rechts van de overweg stonden enkele agenten, maar geen van hen durfde kennelijk in de buurt te komen van de twee daders of slachtoffers – ik weet nog steeds niet hoe ik het eigenlijk moet noemen. Een gevallen engel met de beschermende vleugels van een ander eroverheen. Een beschermengel in de ware zin des woords. Met een zucht liet ik me in mijn stoel vallen en voerde langzaam de snelheid op. Met het dalen van mijn hartslag namen ook tijd en ruimte hun gebruikelijke plaats in de werking van het universum weer in.
Hoewel ik later ook te maken heb gehad met een geslaagde zelfdoding, was dit toch één van de meest heftige gebeurtenissen op het spoor die ik tot nu toe heb meegemaakt. Het is in ieder geval de enige keer geweest dat ik werkelijk met knikkende knieën in de cabine heb gezeten. Natuurlijk is een dergelijk voorval de eerste keer altijd indrukwekkend omdat je er tijdens de opleiding nooit echt op voorbereid bent. Het valt nu eenmaal niet te oefenen. Maar ik denk dat vooral de onzekerheid, het niet precies weten wat er aan de hand was, het voorval voor altijd in mijn geheugen heeft gegrift.
De muziek is van Antony and The Johnsons. Een fragment uit Rapture.