Vlak voor vertrek van de intercity richting Eindhoven, werd er in Roermond hard op de deur van de cabine geklopt. Ik deed open en daar stond een ongeveer achtjarige jongen met een nogal agressieve blik op zijn gezicht.
‘Mag ik bij jou komen zitten? Ik stap niet meer bij mijn moeder in.’ Omdat op dat moment de conducteur de deuren sloot, liet ik hem maar instappen.
‘Zit je moeder in de trein dan?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei hij kwaad, ‘maar daar wil ik voorlopig niets mee te maken hebben.’
‘Ruzie?’
‘Ja, eerst mocht ik geen boek meenemen omdat ik anders de hele reis geen woord zou zeggen. Dus heb ik de hele weg zitten praten. En nou moet ik mijn mond houden omdat ze zich voor mij schaamt.’
‘Ah, je bent een verhalenverteller,’ zei ik zo opgewekt mogelijk.
‘Ja,’antwoordde hij een stuk minder kwaad. ‘Jij ook?’
‘Ik ben niet zo’n goede verteller, maar ik verzin ze wel en schrijf ze dan op.’
‘In boeken?’
‘Dat wil ik nog wel ooit gaan doen, maar voorlopig meer in krantjes en tijdschriften. Hoe heet je eigenlijk?’
‘Noem me maar de eetsj,’ zei hij terwijl hij zich een stuk groter maakte.
‘Aids? Die enge ziekte?’ Ik deed alsof ik geschrokken was.
‘Nee,’ riep hij geïrriteerd. ‘De letter H van Harro op z’n Engels natuurlijk.’
Ik wist niet goed wat ik met deze jongen aanmoest. Hij deed zich groter voor dan hij was. Een achtjarige loopt toch niet zomaar bij zijn moeder weg? Al kon ik me wel voorstellen dat die op een gegeven moment genoeg kreeg van het vreemde, nasale stemgeluid van haar zoon. Hij droeg een ouderwets aandoend jasje, daaronder een bordeauxrode trui met daarop 1943 in gele cijfers. Terwijl de meeste kinderen van zijn leeftijd enthousiast zouden reageren als ze een ritje in de cabine mochten maken, staarde hij afwezig naar buiten. Af en toe verscheen er een lachje om zijn lippen, alsof hij druk bezig was zichzelf een verhaal te vertellen.
‘Vertel eens een verhaal,’ zei ik toen het me te lang stil bleef.
‘Eerst vertellen wat jij schrijft,’ reageerde hij onmiddellijk.
‘Meestal korte stukjes over het spoor en alles wat daarmee te maken heeft.’
‘Nooit iets over jezelf?’
‘Eigenlijk gaan ze allemaal over mezelf. De goede verstaander heeft maar een half woord nodig.’ Hij fronste even zijn wenkbrauwen.
‘Dat is toch niet genoeg voor een boek?’ Dat had hij goed onthouden.
‘Nee,’ gaf ik toe. Ik heb wel een begin en een eind, maar ik kan ze nog niet goed bij elkaar brengen.’
‘Dat doe je ook helemaal verkeerd,’ las hij me de les. ‘Je moet gewoon ergens beginnen en dan maar zien waar je uitkomt. Nooit van tevoren de weg vragen. Doe ik ook niet. En als ze het niet begrijpen, pech voor hen!’
‘Begrijpen ze jou zo slecht dan?’ Hij haalde zijn schouders op. Blijkbaar had ik een gevoelige snaar geraakt.
‘Wat betekent dat bordje 14?’ Hij wees naar de kilometrering op een bovenleidingportaal.
‘Nog veertien kilometer, dan zijn we in Eindhoven.’
‘Dus over twee kilometer moeten we er nog twaalf.’
‘Rekenwonder zeker?’
‘Dat zeggen ze wel vaker,’ antwoordde hij doodserieus.
‘Krijg ik nou nog een verhaal te horen?’
‘Hoe lang duurt de rit nog?’
‘Vijf minuutjes nog maar.’
‘Jammer dan,’ zei hij resoluut. ‘Mijn verhalen duren minstens twaalf minuten.’
‘Misschien komen we elkaar nog eens tegen,’ zei ik, en ik vond het jammer dat ik niet meer over deze intrigerende jongen te weten was gekomen. Vreemd, dat zijn moeder de hele weg niet naar hem was komen informeren.
‘Zoek me nog maar eens op, misschien krijg je inspiratie om te schrijven.’ Hij stapte uit en liep zonder om te kijken weg.
Zoek me nog maar eens op. Wat zou hij daarmee bedoeld hebben? Hoewel ik er niets van verwachtte, probeerde ik het ’s avonds toch via de computer. Ik zocht op het enige dat ik wist; Harro, acht jaar, 1943, verhalenverteller.
Tot mijn stomme verbazing had ik hem binnen enkele tellen gevonden. Al in 1943 had de Weense kinderarts Hans Asperger over hem geschreven. Samen met drie andere gevallen van, zoals hij het toen noemde, autistische psychopaten. Harro L. was volgens Asperger impulsief, agressief, dol op lezen en het vertellen van lange, fantastische verhalen waaraan gaandeweg alle samenhang ontbrak. Hij had een afwezige blik, vertoonde vaak een lachje dat niemand begreep en had een heel eigen systeem ontwikkeld om te kunnen rekenen.
Was de Harro die ik in de trein ontmoet had een verre afstammeling van de patiënt die tegenwoordig de diagnose Asperger-syndroom zou krijgen? Of was het misschien…?
*******
Klik hier voor meer informatie over Harro en twee prachtige gedichten van de Zwolse dichter Ivar Wakker.
De muziek is een fragment uit het nummer Creep van Radiohead.