Bijna twintig jaar geleden, zag ik tijdens het North Sea Jazz Festival – toen nog in Den Haag - een optreden van de legendarische vibrafonist Lionel Hampton. Al ruim in de tachtig, maar nog net zo’n podiumbeest als in zijn jonge jaren. Onvermoeibaar danste en sprong hij rond zijn instrument. Tegen het eind van het concert maakte hij een uitstapje naar het drumstel. Daar bleek dat ouderdom wel degelijk met gebreken komt. Binnen een minuut verloor hij één drumstok, kort daarop de tweede. Het publiek zuchtte een keer in plaatsvervangende schaamte, maar Hampton liet zich niet zo gemakkelijk uit het veld slaan. Breed lachend rende hij terug naar zijn vibrafoon en zette de volgende klassieker in. Tijd om te stoppen kende hij niet. Aangemoedigd door een dolenthousiaste menigte, speelde hij toegift na toegift. Nadat functionarissen van het festival hem onder zachte dwang in de coulissen geparkeerd hadden, gaf hij zijn bandleider een teken en rende onder een staande ovatie terug het podium op om door te gaan alsof hij van voor af aan wilde beginnen. Pas toen hij door twee mannen in het zwart letterlijk onder de armen van het podium werd gedragen, eindigde het optreden. Dat laatste zou nog een symbolische betekenis krijgen; het werd het laatste concert van Hampton in Nederland.
Vandaag de dag zou een muzikant als Lionel Hampton nauwelijks meer een kans maken. Het gebrek aan opleiding, de manier waarop hij zijn stokken hield, zijn houding achter het instrument en zijn beperkte vermogen tot noten lezen, gaven hem geen schijn van kans op een studie aan het conservatorium. Die hele studie is in modules vastgelegd en pas als hij helemaal aan het eind van zijn opleiding was, zou hij een stukje van de vrijheid krijgen die hij als jazzmusicus gewend was. Eerst de theorie, dan pas de praktijk.
Op het spoor is het niet anders. De muziek wordt tegenwoordig bepaald door mensen met een conservatoriumopleiding. Naar de werkvloer wordt niet meer geluisterd. Ideeën van machinisten of conducteurs worden door het management honend weggelachen. Het rijdend personeel heeft er immers niet voor gestudeerd. Opleidingen die voorheen op de diverse standplaatsen werden gegeven, zijn nu gecentraliseerd. Zo krijgt iedere machinist of conducteur precies dezelfde informatie. Maar specifieke kenmerken of problemen die plaatsgebonden zijn, komen niet meer aan de orde. Storingen worden verholpen met behulp van protocollen achter een computer. De verhalen van de echte oude meesters, die soms met een vloeitje tussen twee contacten of een stuiver in de koppeling, een defecte trein van de baan wisten te krijgen, worden niet in de computer opgeslagen en raken in de vergetelheid. Sinds we geen dienst meer verlenen maar een product leveren, moet alles uniform zijn. Eigen inbreng wordt niet op prijs gesteld. Kortom, de jazz is er een beetje uit.
En toch, als ik op een stille avond over het spoor raas, dan nemen de dwarsliggers soms de vorm en de klank aan van de toetsen van Hamptons vibrafoon. Als ik de maan zacht schommelend in de Maas weerspiegeld zie en ik voel me ‘Kind of Blue’, dan hoor ik in het gezoem van de tractiemotoren achter me, de gedempte trompet van Miles Davis. ‘You take the high road, then i’ll take the low road,’ speelt het orkest van Benny Goodman ergens tussen het dodemanpedaal en de noodseinlantaarn. Dan besef ik dat je de muziek wel uit de cabine kunt weren, maar niet de jazz uit de machinist. Nooit.
Het eerste muziekfragment is een gedeelte uit Flying home van Lionel Hampton, het tweede wordt gespeeld door Miles Davis. Blue in green komt vam het album Kind of Blue en is gecomponeerd door Bill Evans.
Van geluk gesproken...
...slechts drie pubers overreden
Woensdag 23 juni. Ik ben al vroeg op pad. Het is mooi weer en de vaart zit er goed in als ik vlak voor station Delft tot mijn grote schrik een familie eenden over zie steken. Moeder loopt rechts van het spoor, twee achterblijvers links, maar drie van deze snaters bevinden zich precies tussen de rails die ik berijd. Mijn snelheid is op dat moment niet hoog en waren het nog van die gele pluizenbolletjes, dan had ik misschien nog kunnen stoppen. Helaas zijn het pubereenden en net zo bruin als de ballast waarover ze lopen. Ik hoor ze zacht tegen de onderkant van de trein tikken als ik over hen heen rijd. Einde oefening voor drie jonge vogels. Ik slik even. Van duiven ben ik gewend dat ze in kamikazevlucht voor de trein terecht komen. Eenden vallen in een andere categorie. En toch kan ik deze dag nog van geluk spreken.
Later die morgen rijd ik namelijk een trein uit de 2200-serie, van Breda via Den Haag en Haarlem naar Amsterdam Centraal. Ik hoef deze trein slechts te rijden tot Haarlem, daar neemt een andere machinist hem voor het laatste stuk over. Zelf ga ik met de 3400 van Haarlem terug naar Den Haag. Op het moment dat ik mijn trein gereed maak voor vertrek, klinkt er een alarmoproep in de cabine. Navraag bij de treindienstleider leert dat het om een aanrijding gaat in de buurt van Halfweg. De trein die ik zojuist overgedragen heb, heeft tussen Haarlem en Amsterdam Sloterdijk een persoon geschept. Waarschijnlijk een zelfdoding.
Het geeft weer eens aan hoe smal de lijn tussen leven en dood is: slechts een spoorstaaf breed. Dit keer lagen de wissels in een voor mij gunstige richting. Morgen kan dat anders zijn. Met bijna tweehonderd aanrijdingen per jaar op het spoor, is het namelijk niet de vraag óf, maar wannéér ik aan de beurt kom. Wéér aan de beurt kom, moet ik eigenlijk schrijven. Vandaag heb ik geluk gehad, al zullen drie eenden dat niet helemaal met me eens zijn.
Een eendenverhaal dat uiteindelijk wel goed afloopt.
Behulpzame automobilst
Op donderdag 24 juni reed ik rond 05:30 uur met leeg materieel van Eindhoven naar Roermond. Aldaar zou het de stoptrein naar Maastricht Randwyck worden. Vlak voor de brug over de Maas bij Haelen, zag ik een witte auto rijden over het grindpad langs het spoor, een dikke stofwolk achter zich latend. Toen de chauffeur mijn trein in het zicht kreeg, begon hij hevig met zijn koplampen te seinen, alsof hij me ergens voor wilde waarschuwen. Op de weg zie je dat, vooral onder beroepschauffeurs, wel vaker. Die waarschuwen elkaar voor bijvoorbeeld snelheids- of alcoholcontroles.
Nu komen snelheidscontroles op het spoor ook wel voor, maar ik mocht ter plekke 130 km/uur rijden en mijn ATB zou ook geen hogere snelheid toelaten. Niets aan de hand dus. Ook alcoholcontroles komen voor, maar dat gebeurt meestal pas na een aanrijding of het ten onrechte passeren van een rood sein. Een enkele keer worden machinisten voor aanvang van de dienst aan een test onderworpen, maar ik heb nog nooit meegemaakt dat een trein door de politie aan de kant wordt genomen om de machinist te laten blazen. Wat zou er dan aan de hand zijn?
Het werd me al snel duidelijk. Wegens schilderwerkzaamheden was het rechterspoor van de brug afgesloten. De rails waren afgedekt met een soort groen doek. Vermoedelijk om verfspatten op de spoorstaven te voorkomen(?). Gelukkig was dit allemaal bij de treindienstleider bekend en reed ik op dat moment op het linkerspoor. Dat had de automobilist waarschijnlijk niet gezien en die dacht natuurlijk dat ik in volle vaart op de werkzaamheden in zou rijden.
Toch vind ik het een aardige gedachte. Iemand in een auto die meedenkt met de machinist. De meeste chauffeurs denken er niet eens aan in het donker hun groot licht te dimmen als ze een trein naderen. Het interesseert ze niet of ze daarmee de machinist verblinden. Deze man of vrouw had tenminste oog voor de mens in de machine. Hoewel er dus geen reden was voor paniek, toch een aardig begin van de dag.
Deze foto is genomen op de terugweg, ik rijd nu dus wel aan de goede kant van het spoor.
Droogzwemmen
Toen ik als kind voor het eerst naar zwemles ging, kreeg ik bandjes om mijn armen en een plankje onder mijn handen om ervoor te zorgen dat ik zou blijven drijven. Mijn zwembewegingen oefende ik plat op mijn buik gelegen op een barkruk, veilig op het droge. Tegenwoordig worden kinderen direct in het diepe gegooid. Zwemmen of verzuipen. Bij de NS was dat precies andersom. Toen ik acht jaar geleden de opleiding voor machinist begon, werd ik direct op de bestuurdersstoel in de cabine van een trein vol reizigers gezet. Weliswaar onder begeleiding van een ervaren mentor, maar toch direct in het diepe.
Drie of vier jaar geleden is dat veranderd. Niet dat het materieel nu moeilijker te besturen is, integendeel, maar het aantal treinbewegingen op het Nederlandse spoor is de afgelopen jaren zo sterk gestegen, dat het veiliger is eerst de regelgeving goed onder de knie te krijgen alvorens daadwerkelijk met reizigers aan de slag te gaan. Daartoe werd in de cabine de ‘droogschakel’-knop bijgeplaatst. De afwijkende blauwe kleur betekent in spoortermen dat iets buiten dienst is. De droogschakelknop zorgde ervoor dat een aspirant-machinist naar hartenlust kon oefenen zonder de trein daadwerkelijk in beweging te zetten. Zijn mentor zat naast hem en neuriede zacht ‘tsjoeketsjoek’ of ‘kedeng, kedeng.’ Op gezette tijden riep hij iets als: ‘let op, een overstekend hert,’ of ‘voorzichtig, de overweg voor je sluit niet.’ Vervolgens observeerde de mentor de handelingen van de aspirant en daarna werd alles besproken en geëvalueerd.
Voor zowel mentor als aspirant was dit een onhoudbare situatie. Beiden werden het mikpunt van spot vanwege dit droogzwemmen op de trein. Gelukkig is daar vorig jaar verandering in gekomen met de opening van het simulatorcentrum in Amersfoort. De aspirant-machinist kan nu in alle rust allerlei situaties oefenen, terwijl het er dankzij hypermoderne computeranimaties toch allemaal zeer realistisch uitziet. De droogschakelknop wordt nu alleen nog gebruikt door storingsmonteurs die er stiekem van dromen zelf eens een trein te rijden. Ze zorgen er wel voor dat uitsluitend te doen als Guus Meeuwis een concert in de buurt geeft, zodat hun ‘kedeng, kedeng’ niet uit de toon valt. De afgelopen twee weken hebben veel storingsmonteurs in Eindhoven een denkbeeldig ritje gemaakt. De droogschakelknop heeft echter zijn langste tijd gehad.
OUD?
Oud: Ware meesters die elk schroefje en klepje in hun trein weten te vinden. Jong: Machinisten die met hun vingertoppen een computergestuurd voertuig rijden.
Oud: Mannen die met liefde voor het materieel een dienst aan hun reizigers verzorgen. Jong: Mensen die met de hand op de knip een commercieel product leveren.
Oud: De voorpret en het pure, bijna extatische genot van een treinreis. Jong: Vloeken als de trein een minuut vertraging heeft.
Oud: De adembenemende luxe van een eersteklas rijtuig. Jong: Graffiti, gescheurde bekleding en smerige toiletten.
Nog meer oud en jong met tips voor de compositiewedstrijd van het Nederlands Blazers Ensemble staan hier.
En voor wie de muziek dreigt te missen tijdens de zomervakantie, staat hier het eerste deel van de serie Scherpdenkers.