Zondag 31 augustus 2008, even over half tien ’s morgens. Het is al bijna twintig graden en het belooft een mooie dag te worden. Eindelijk zomer, één dag voor het begin van de meteorologische herfst. In Utrecht haal ik een broodje bij de Kiosk en als ik terugloop naar de cabine, zie ik een jonge spreeuw op de rand van het perron zitten. Ik kijk of ik zijn ouders ergens zie; misschien moet hij gevoerd worden. Dan fladdert hij op en spring op een voetsteun naast de koppeling van de trein. Met een grote boog loop ik naar voor en zie dat drie spreeuwen bezig zijn doodgereden, grotendeels geplette insecten van de voorkant van het treinstel te pikken. Kleine lijkenpikkers.
Als ik de donderdag daarna te Hoofddorp Opstel de trein verlaat, zie ik dat twee roeken een soortgelijke actie uitvoeren. Ik kan me echter niet voorstellen dat die naar insecten speuren. Het lijkt me waarschijnlijker dat ze zoeken naar resten van doodgereden dieren. Vooral duiven zijn vaak het slachtoffer van treinverkeer. Deze vogels reageren vaak te laat of vluchten in de verkeerde richting. Ook vertikken ze het nogal eens op tijd op te vliegen van het spoor zodat je ze onder tegen de trein hoort klappen.
Als ik verder loop in de richting van het personeelverblijf, zie ik dat de roeken hun inspectie hebben opgegeven. Ze wachten nu bij openstaande deuren of de schoonmakers etensresten naar buiten vegen. Als het hen te lang duurt, zijn ze niet te beroerd zelf de trein in te vliegen om waar ze recht op hebben zelf te gaan halen. Maar zodra er een nieuwe trein arriveert, zijn ze er als de kippen bij om weer naar vlees te zoeken. Deze vogels hebben blijkbaar geleerd dat de spoorwegen een perfecte cateraar voor hen vormen, en dat elke trein een lekker hapje mee kan brengen.
Een enigszins bizarre gedachte komt in me op: Na een aanrijding met een persoon, en dat zijn er toch vele tientallen per jaar, ruimen politie en brandweer de menselijke resten op. Tenminste, de grote stukken. Deeltjes die te klein zijn om op te rapen en in vuilniszakken te verzamelen, laten ze liggen ‘voor de vogels’. In gedachte probeer ik uit te rekenen hoeveel vogels er rondvliegen die ooit mensenvlees gegeten hebben….
***
De muziek is van Simon & Garfunkel: Sparrow. Weliswaar een mus, maar noem eens een liedje over een spreeuw of starling...
***
Naschrift. Het volgende stukje heb ik geschreven na een lezing van evolutiebioloog Tijs Goldschmidt op 30 0ktober 2008 in Eindhoven:
Shakespeare’s plaag
In Lijkenpikkers schreef ik over spreeuwen die op het station doodgereden insecten en ander dierlijk materiaal van de neus van een trein pikten. Toevallig had Tijs Goldschmidt, evolutiebioloog en schrijver van o.a. Darwins hofvijver, het tijdens een lezing die ik op 30 oktober bijwoonde, ook over dit zangvogeltje. Nooit geweten dat één vermelding van dit diertje in het complete oeuvre van Shakespeare in Amerika voor een spreeuwenplaag heeft gezorgd.
De grote Britse dichter noemde de vogel in Henry IV vanwege zijn eigenschap menselijke spraak te imiteren.
“The king forbade my tongue to speak of Mortimer. But I will find him when he is asleep, and in his ear I’ll holler ‘Mortimer!’ Nay I’ll have a starling shall be taught to speak nothing but Mortimer, and give it to him to keep his anger still in motion.”
De Amerikaan Eugene Schieffelin besloot eind negentiende eeuw alle in Shakespeare’s werk voorkomende vogelsoorten in Amerika te introduceren. Daartoe liet hij in 1890 en 1891 ongeveer honderd spreeuwen los in Central Park, New York. In tegenstelling tot de andere vogelsoorten deed de spreeuw het uitstekend in Amerika. Tegenwoordig vormt hij een ware plaag met een oorverdovend geluid over de overnachtingplaatsen en heeft hij inheemse soorten verdrongen.
Zouden de bloedige koningsdrama’s van Shakespeare het foerageergedrag van de Sturnus vulgaris hebben beïnvloed? Ik denk het niet. Maar zonder zijn werk zou het vogeltje nooit van Amerikaans mensenvlees geproefd hebben, hoe bizar die link ook is.