Vrienden. Nu we hier zo onder elkaar zijn, moet me toch iets van het hart. Waarom wordt er toch altijd zo op ons gescholden?
Heb ik een paar minuten vertraging omdat er iemand op het spoor loopt, dan krijg ik het verwijt dat ik nooit op tijd ben. #NS #Fail
Rijd ik wel op tijd, dan is er altijd wel iemand boos omdat de conducteur net voor zijn neus de deuren sluit. #NS #Fail
Zelfs als jullie in de file staan, geven jullie ons nog de schuld: als de NS beter op tijd zou rijden, zou ik heus wel met de trein gaan, maar dat doen ze niet, dus ik moet wel met de auto. #NS #Fail
Nu kun je mijn 86 ton staal moeilijk pijn doen, maar mijn jongste zusje, de SLT – haar bijnaam noem ik hier niet – heeft een minder dikke huid. Hoe vaak ik haar deze winter al niet huilend van de baan heb moeten halen. Smeltwater in de hoogspanningsinstallatie heet dat officieel. Ik weet wel beter. Nu weten jullie meteen waar de naam ‘zoutkaartje’ vandaan komt.
Laten we afspreken dat we allemaal wat vriendelijker tegen haar zijn. Als je kleine neefje te water gaat voor zijn zwemdiploma roep je toch ook niet: ‘Hé sukkel, hou je hoofd eens boven water!’ Nee, dan moedig je hem aan: ‘Kom op joh, je kunt het!’
Doe dat ook eens bij de Sprinter Light Train. Combineren en splitsen is nog best moeilijk als je jong bent. Stap eens uit en spreek haar bemoedigend toe. Geef haar een complimentje of een klein applausje als het lukt. Troost haar met lieve woordjes als het een keertje fout gaat. Daar hoef je je heus niet voor te schamen.
Aai eens warmpjes over haar bekleding of teken een hartje in damp op haar ruit. Je zult zien, nog vóór het jaar om is snort ze het spoor rond alsof ze nooit anders heeft gedaan.
De muziek komt uit de film Lost Boys. Het is een fragment uit Cry little sister, uitgevoerd door Gerard McMann.
60 Seconden
Iemand heeft er genoeg van en besluit een einde te maken aan zijn leven. Hij schrijft een afscheidsbrief en legt die op een opvallend plaats op zijn bureau. Hij drinkt nog één glas whisky, trekt zijn jas aan en sluit voor de laatste maal de deur achter zich. Het is een sombere dag, maar als hij over het pad tussen de weilanden loopt, bereikt hij een bijna euforische stemming. Nog even en alle ellende is voorbij. Als hij het spoor bereikt, is zijn hoofd leeg. Kalm kijkt hij naar links en naar rechts. Het is nog stil, maar hij weet dat van beide kanten zijn verlossing nadert. Tijd betekent niets meer voor hem. De eerste trein die hij ziet, zal hem naar zijn bestemming brengen. Ver van dit aardse bestaan, dat voor hem ondraaglijk is geworden.
***
Zondagmorgen, tegen 11:00 uur ontvang ik de alarmoproep in mijn cabine. De intercity uit de andere richting heeft de plek des onheils net een minuut eerder bereikt dan ik…
Ik heb een beetje een haat/liefdeverhouding met Martin Šimek. In een interview met de psycholoog Piet Vroon kroop hij zo dicht op deze man dat die als het ware verstikt werd en nauwelijks nog iets zinnigs wist te zeggen. Een gênante vertoning. Ik heb het sowieso niet op mensen die te dicht op mijn huid zitten. Toen Šimeks radioprogramma echter uit de ether werd gehaald had hij op internet, via de site van Elsevier.nl, een zo geanimeerd en inspirerend gesprek met Kees van Kooten, dat ik hem juist enorm ben gaan waarderen.
Tijdens zijn voordracht in de serie Scherpdenkers, woensdag 23 februari in Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven, staat hij alleen op het podium. Ver genoeg om me comfortabel op de vierde rij te nestelen. Ik schrik even als hij dreigt mensen op het podium te halen, maar dat was alleen om te illustreren hoe hij normaal tijdens lezingen met managers omgaat. Daar Šimek zelf tijdens de Praagse Lente in 1968 als vluchteling Nederland is binnengekomen, zou je verwachten dat hij zich af zou zetten tegen het huidige regeringsbeleid. Dat doet hij niet, of op een zeer subtiele manier door juist over zijn leven in vrijheid te vertellen. Er zijn veel overeenkomsten met zijn gesprek met Kees van Kooten.
Om direct een brug te slaan naar de muziek van pianist Jean-Efflam Bavouzet, sluit Šimek af met een ontroerende allegorie: Een pianist geeft een fantastisch concert, maar speelt op een cruciaal moment één foute noot. Šimek complimenteert na afloop de musicus en zegt het jammer te vinden van die ene noot. De pianist reageert verbolgen: ‘Ik wist niet dat je een perfecte uitvoering wilde. Als ik dat wist had ik mijn leerling wel gestuurd. Die mag geen fouten maken.’
Martin Šimek, ik heb een hekel aan hem als hij een persoon te dicht nadert, maar als hij op afstand blijft weet hij me elke keer tot in het diepst van mijn ziel te raken.
Jean-Efflam Bavouzet heeft een programma samengesteld met werk van de vrienden en tijdgenoten Erik Satie en Claude Debussy. Debussy leende geregeld iets van Satie, maar wat een verschil in klankkleur. De dromer tegenover de grappenmaker. Debussy beschrijft romantische beelden als reflecties op het water, Satie geeft vanavond de voorkeur aan sport en ontspanning.
Als een goochelaar die zijn truc verraadt vertelt Bavouzet over de opmerkingen die Satie in de partituur van Sports et Divertissements uit 1917 heeft genoteerd. Zo dient het derde deel, La chasse, volgens Satie als volgt gespeeld te worden: De Jacht: ‘Hoort u hoe het konijn zingt? Wat een stem! De nachtegaal zit op zijn nest, de uil geeft zijn jongen de borst, en het wild zwijn staat op het punt te trouwen. En ik schiet noten!’ Het is jammer dat niet al die aanduidingen in de programmafolder vermeld staan. Bavouzet heeft er tijdens het spelen de grootste lol in. En dat straalt af op het publiek dat het werk enthousiast en vaak met een gulle lach en applaus onthaalt.
Het orkestwerk Jeux, poème dansé van Debussy, in een bewerking voor solo-piano van Jean-Efflam Bavouzet, wordt, net als tijdens de première in 1913, minder enthousiast ontvangen. Dat ligt niet aan de compositie en zeker niet aan het virtuoze spel van de pianist, maar eerder aan het constructie van het Muziekgebouw. Jammer dat er na de lezing van Šimek geen pauze is ingelast, want na twee uur opgevouwen zitten in stoelen zonder voldoende beenruimte, schreeuwen mijn knieën om een keer gestrekt te worden. Aan het nerveuze geritsel om me heen, merk ik dat mijn knieën niet het enige paar vormen dat protesteert. Voor Bavouzet heeft het wel een leuk gevolg: zodra de laatste toon heeft geklonken, veert de zaal als één man omhoog om hem een staande ovatie te bezorgen, waarbij ook Šimek het podium voor een laatste maal betreedt. Wederom een geslaagde avond filosofie op het scherpst van de snede, oftewel: Scherpdenkers.
Twee mannen. De een uit het Westen. De ander uit het Oosten. Een burgerman in Nederland. Een vluchteling uit Iran. Een gesprek over; Het Geloof De Duivel Ayaan Hirschi Ali Theo van Gogh Nine Eleven En niet te vergeten Geert Wilders Het stenigen van vrouwen Masturberen met een stofzuiger De Gouden Kooi Jezus Christus
Etc. etc.
Ze draaien volledig door en vinden elkaar tenslotte in een gemeenschappelijke psychose. En daarin zijn alle mensen gelijk.
Zowel Helmert Woudenberg als Ali Kouchiry zijn ervaren mannen in het vak. Beiden bekend als acteur, regisseur én schrijver.
Deze tekst, afkomstig van de website van Helmert Woudenberg, geeft precies weer waar het toneelstuk dat ik op zondag 20 februari in het Parktheater in Eindhoven bezocht, over gaat. Woudenberg en Kouchiry spelen zowel zichzelf, een Nederlander en een vluchteling uit Iran, als diverse rollen om de ander te overtuigen van hun eigen gelijk. Zinnen als: ‘Speel jij nu dit, dan doe ik dat,’ of, ‘doe ik het zo goed, of had je iets anders willen zien?’ brengen het publiek vaak op komische wijze in verwarring over wie nu de good guy en wie de bad guy is. De acteurs laten voortdurend blijken dat het slechts een spel is dat ze spelen, maar het gaat wel degelijk over de strijd tussen goed en kwaad.
Die strijd voeren ze zelfs zó ver door, dat ze zich wenden tot het ultieme goed en kwaad: God en de duivel. Het mooiste van dit alles is, dat de duivel vaak niet weet welke kant hij moet kiezen. Zo schuilt het kwaad dan weer in de blanke Nederlander, dan weer in de vluchteling. De vluchteling die keihard studeert op zijn inburgeringsexamen met vragen waarop de voetbal kijkende autochtoon het antwoord meestal schuldig moet blijven. Grappig is in dit verband dat mijn buurman in de zaal plotseling overeind schoot toen hij het antwoord op één van de vragen wist om zodoende aan te tonen dat hij toch echt het recht had in dit land te wonen. Een rasechte Nederlander overigens.
Het stuk wordt een stuk wranger van aard als de duivel een verblijfsvergunning wil en van de kardinaal eist hem daarbij te ondersteunen. De kardinaal gaat vervolgens naar Jezus om te vragen of hij niet eens wil stoppen met het verkondigen van die blije boodschap over vrijheid. De auteurs/acteurs hadden tijdens het schrijven vast niet kunnen vermoeden dat de meelevende, katholieke burgemeester Leers nu hij eenmaal minister van Immigratie en Asiel is, zo plotseling een transformatie tot keiharde illegalenjager zou ondergaan.
En daar ligt dan ook meteen de zwakte van het stuk. Ik meen dat het Kees van Kooten was die onlangs in een interview zei: ‘De werkelijkheid heeft de satire achterhaald.’ Hier is dat zeker het geval. De acteurs eindigen als één man in een psychose, maar eigenlijk al op een moment dat ze nog niet tot de kern van de zaak zijn doorgedrongen. Het is alsof ze tachtig jaar geleden protesteerden tegen het in getto’s opsluiten van Joden, terwijl de crematoria in de concentratiekampen al volop draaiden. Achterblijvers in de geschiedenis.
Identiteit heeft veel weg van stand-upcomedy. Het decor is uiterst simpel: twee design-barkrukken - vanuit mijn standpunt leken de zittingen op wc-potten, of beter: ondersteken, maar ik weet niet of daar bewust voor gekozen is - en nauwelijks enige aankleding. Maar stand-up wil wel zeggen dat je jezelf voortdurend moet vernieuwen om bij de tijd te blijven. Dat de acteurs de harde politieke werkelijkheid zoals die nu in Nederland heerst, niet hadden kunnen voorspellen, siert hen. Maar het stuk doet daardoor wel direct wat gedateerd aan. Bij Van Kooten en De Bie (de Tegenpartij) duurde het dertig jaar, bij Identiteit was het vóór de première al het geval; de conclusie blijft hetzelfde: De werkelijkheid heeft de satire achterhaald.