Van de eerste rit van de dag, maakt de meester altijd een spirituele reis. Wat niet iedereen weet, is dat die eerste rit altijd met leeg materieel gemaakt wordt om het roest van de sporen en de wissels te rijden. Voor hij in zijn cabine stapt, haalt de meester een paar keer diep adem om de koude ochtendlucht zijn longen te laten prikkelen. Uiterst behoedzaam haalt hij de tractiehendel over en voelt hij hoe mens en machine samensmelten op de grens van dag en nacht. Hij neemt afscheid van de laatste nachtdieren en begroet een ree dat zich nog even schuilhoudt in het kreupelhout. De eerste zonnestralen die breken in de dauw op de bladeren, ervaart hij als een woordloos gebed.
Al maandenlang zeurde de teammanager van de meester of hij een keer mee mocht met de eerste rit. Maar de meester hield de boot af. De hele dag was de manager een welkome gast in de cabine, maar niet tijdens de stilte van de ochtendmeditatie. En hoe deze leidinggevende ook bedelde en smeekte, de meester hield voet bij stuk.
Op een dag stond de directeur bij de trein en deze vroeg de meester beleefd doch dringend de teammanager een keer mee te laten rijden tijdens het ochtendritueel. Er zou geen woord gewisseld worden, daarvoor stond hij persoonlijk garant. Met tegenzin gaf de meester uiteindelijk toe. Terwijl hij de trein in beweging zette, ging de teammanager stil op het bankje achter de meester zitten. Ze reden door laaghangende mist langs velden vol ontwakend leven. Damp steeg op van een klein riviertje dat zich onder het spoor doorkronkelde. Toen een eerste zonnestraal als een vurig zwaard door een groepje wilgen sneed, kon de manager zich niet meer beheersen. ‘O, wat mooi,’ liet hij zich ontvallen, waarna hij beschaamd een hand voor zijn mond sloeg. Tot het eind van de reis durfde hij zich niet eens meer te bewegen.
Bij terugkomst liep de directeur op de meester af. ‘En, hoe ging het?’ vroeg hij opgewekt. ‘Dat was eens, maar nooit meer,’ antwoordde de meester boos. ‘Die man kletst de oren van mijn kop.’
Op 27 oktober zag ik in de Openbare Bibliotheek de voorstelling Icar Vliegt van de Eindhovense theatermaker Arno Huibers. Het verhaal, gebaseerd op de Griekse mythe van Icarus, moge bekend zijn. Icar en zijn vader ontsnappen met zelfgemaakte vleugels van het eiland Kreta, waar ze door koning Minos gevangen worden gehouden. In tegenstelling tot Homeros blijft Huibers echter vaag over het lot van Icar. Hij laat vader Daedalus vertwijfeld achter op het strand van het vasteland. Die maakt zichzelf wijs dat de veer die hij daar vindt van een albatros is en hoopt dat Icar doorgevlogen is naar Athene of mogelijk nog verder.
Toen ik na afloop tegen Arno zei dat ik het zo mooi vond dat hij Icarus in deze kille tijden in leven had gehouden, reageerde hij verbaasd. ‘Leuk om te horen, maar de meeste volwassenen vinden zo’n open einde niets. Maar ik kan het kinderen niet aandoen Icar dood te laten gaan. Ik laat ze liever over een eigen afloop fantaseren.’
Ik voel zelf wel enige verwantschap met Icarus. Sinds ik columns schrijf voor de NS, krijg ik van het rijdend personeel veel bijval voor de vaak kritische opmerkingen - tussen de regels door - over de manier waarop het bedrijf commercieel geleid wordt. Door mijn directe manager word ik echter met enige regelmaat gewaarschuwd dat ik voorzichtiger moet zijn omdat ik mijn vingers dreig te verbranden. Net als Icarus wordt ik echter steeds hoger gedreven. Dankzij Arno Huibers weet ik in ieder geval dat, mocht de was van mijn vleugels smelten en ik de diepte in zal storten, de droom, de hoop en de fantasie, nooit verloren zullen gaan.
Mijn zus werkt bij de Openbare Bibliotheek in Eindhoven. Woensdag heeft ze te horen gekregen dat drie vestigingen van de bibliotheek moeten sluiten. Ach, wat maakt het uit. Er leest toch niemand meer? En wie zit er nog op nieuwe boeken te wachten als je al schrijvers als Hermans, Reve en Mulisch hebt? (Hoe het die laatste heeft aangegrepen werd later in de week pas duidelijk.)
Het Van Abbe museum zal ook nog wel aan de beurt komen. Wat daar hangt kan mijn neefje van vier immers ook. Bovendien hebben we genoeg aan Rembrand en Van Gogh.
Concertzalen kunnen gesloten worden en orkesten opgeheven. Waarom 100 musici betalen als een Casio van 75 euro hetzelfde kan? Het schijnt dat je zelfs op een iPhone kunt componeren.
Gelukkig zijn er nog mensen die er anders over denken. Musici van het Muziekcentrum van de Omroep overvielen het Centraal Station van Den Haag gisteren met een flashmob. In bevond mij helaas op het verkeerde station, maar wat was ik er graag bij geweest. In een mum van tijd veranderde de stationshal in een swingende arena. Hoezo, klassieke muziek is elitair? Tot verrassing en genoegen van publiek en NS personeel knalde de Mambo uit de West Side Story van Leonard Bernstein uit de instrumenten van tientallen orkestleden.
Zou het fragment toevallig gekozen zijn vanwege de populariteit van deze musical? Of is het een waarschuwing aan het kabinet Rutte? De West Side Story ontaardt immers in een bendeoorlog. Mag ik deze actie beschouwen als een oorlogsverklaring aan de bezuinigingsdrift van onze nieuwe regering?
Ik hoop het wel. En als ik de volgende keer mijn trompet mee mag nemen, laat ik mij bij dezen rekruteren.
Managers, we kunnen er niet genoeg van krijgen bij de NS. We zijn er dol op. We gaan door tot elke conducteur en machinist een eigen manager heeft die hem of haar controleert en corrigeert. In Eindhoven is er op dit moment weer een vacature voor een teammanager machinisten. Voorwaarde is dat je minimaal vijf jaar als machinist binnen het productiegebied werkzaam bent. Dat lijkt me een heel redelijke eis. Vreemder vind ik het dat bij (gelijke) geschiktheid - de haakjes staan letterlijk zo in de taakomschrijving - vrouwelijke kandidaten de voorkeur krijgen.
Nu heb ik niets tegen positieve discriminatie, maar in Eindhoven zijn er wel helemaal twee (!!!) kandidaten die aan deze voorwaarde voldoen. Ik acht beide vrouwen overigens veel te intelligent om hun vrijheid in te leveren en zich over te geven aan van hoger hand opgelegde ‘targets’. Maar is er nog wel sprake van positieve discriminatie als je per se 50% vrouwelijke managers aan wilt stellen in een beroep waar meer dan 98% man is omdat vrouwen niet naar de functie van machinist solliciteren?
Aan de andere kant is de enige ware taak van een teammanager machinisten natuurlijk de opvang van het personeel na een emotionele gebeurtenis als een aanrijding of een zelfdoding. En ik denk dat het grootste deel van de mannelijke machinisten dan liever uithuilt bij een vrouw, dan bij een behaarde soortgenoot.
Ze maakt nu alweer enkele jaren deel uit van de gemeenschap. Niemand weet precies waar ze vandaan gekomen is. Haar dubbele paspoort heeft nog nooit een probleem opgeleverd. Ook wordt ze niet geminacht omdat ze niet productief is. Er is voedsel in overvloed en een schepsel in nood help je nu eenmaal. Bovendien kan ze prachtig verhalen vertellen. Na een lange werkdag, een uurtje voordat de zon ondergaat, schuiven de dames behaaglijk aan om zich door haar mee te laten voeren naar verre velden, waar het gras immers altijd groener is dan thuis. Onder het genot van een hapje sluiten ze hun ogen en dromen van een wereld die zij zelf nooit zullen zien. Het zou niet in hen opkomen die vreemde cultuur als achterlijk te bestempelen. Woorden als zigeuner of illegaal zouden nooit tegen haar gebruikt worden.
En toch ziet het er somber uit voor deze, zo vredige samenleving. Steeds meer boerenbedrijven hebben moeite het hoofd boven water te houden. Maar het geeft mij elke keer weer een warm gevoel, als ik van Boxtel naar Best rijd, en ik op een weiland naast het spoor een hert tussen de koeien zie grazen.
Op 27 oktober 2010 vond in Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven het eerste concert in een nieuw seizoen ‘Scherpdenkers‘ plaats. Eerst gaf hoogleraar theoretische sterrenkunde en beeldend kunstenaar Vincent Icke een lezing over ‘Het horen van het heelal’, daarna speelde Asko|Schönberg onder leiding van Reinbert de Leeuw een aantal twintigste eeuwse muziekwerken.
Eigenlijk had de volgorde anders moeten zijn. Als eerste hadden natuurlijk de Fünf Orchesterstücke, opus 16 van Arnold Schönberg moeten klinken. Schönberg componeerde dit werk nog min of meer in zijn ‘romantische’ periode. Omdat er echter geen geld was voor een volledige uitvoering, maakte Felix Greissle er een wat in de programmabrochure Madurodamarrangement genoemd wordt van. Een orkestwerk uitgevoerd door piano, vijf strijkers, een paar blazers en een harmonium. Het is de richting die de huidige regering in zijn bezuinigingsdrift ook op wil. Vanavond liet Asko|Schönberg de gevolgen horen. Het resultaat van het letterlijk tot op het bot uitkleden van deze muziek was een orkestwerk dat zijn ziel kwijt was. Wat over bleef was een iel geluid dat in niets meer deed denken aan de uiterst bekwame componist die Schönberg was. Het was alsof ieder voor zich speelde en elke muzikant met zijn instrument een andere kant op dreef, als een uitdijend heelal.
Dat was een perfect moment geweest voor Vincent Icke om het spreekgestoelte te bespreken en zijn verhaal over het ‘Horen van het heelal’ te vertellen. Eén van de boeiendste dingen vond ik zijn opmerking dat de ‘Big Bang’ een heel verkeerde benaming was. In de begintijd van de kosmos was het juist stiller dan het enig moment daarna ooit geweest is. Met prachtige foto’s, een beeldend kunstenaar waardig, vertelde hij daarna over het geluid dat geboren wordende sterren maken. Geluid waarvoor je oren zo groot als het zonnestelsel nodig hebt om het te kunnen horen. Magnetisch geluid waarvoor je een postduif zou moeten zijn om het waar te kunnen nemen, maar dat volgens Icke een knettered, krakend karakter heeft.
Hierop had Reinbert de Leeuw A bout de souffle van de Nederlandse componist Willem Jeths in kunnen zetten. Ik weet niet of het de bedoeling van de componist was, maar het magnetische geluid van groeiende, botsende en nevels vormende sterrenstelsels werd prachtig ten gehore gebracht door een slechts lucht producerende hoorn en fagot. Eigenlijk had Willem Jeths een muzikaal antwoord op alle beelden die Icke tijdens zijn lezing had getoond en om het mysterie van het universum aan het eind van zijn werk nog eens goed te benadrukken, vervaagde de muziek in toonloos gesuis op de snaren van de strijkinstrumenten.
De Sonate nr. 8, opus 66 van Alexander Skrjabin in een bewerking van Nikolai Korndorf, grijpt terug op een traditioneler idioom. Hier is het vooral de componist die met zijn hoofd in de wolken liep. Zijn nooit geschreven Mysterium zou tegen de achtergrond van het Himalayagebergte uitgevoerd moeten worden door een immens orkest van duizenden muzikanten, dansers en theatermakers die alle zintuigen zouden bespelen. Skrjabin zelf zou als een soort Messias de regie over dit allereerste multimediaspektakel voeren. Helaas is het er nooit van gekomen. Een festival als Burning Man lijkt me nog het dichtste in de buurt komen, maar ik houd net zo van stoffige hitte.
Het was hoe dan ook een geslaagde eerste avond van een nieuw seizoen Scherpdenkers. En nu maar afwachten waar dit kabinet voor kiest; de stilte van het moment kort na de Big Bang, of het adembenemende avontuur van het almaar uitdijende heelal.
Om ook nog even het verband met de NS te leggen: Luister naar hetgeen Icke te zeggen heeft over het in een database vastleggen van allerlei persoonsgegevens, zoals het Electronisch Patiënten Dossier en de persoonsgebonden OV-chipkaart.
Muziek heeft iets wonderlijks. Zelfs als het alleen als achtergrond gebruikt wordt, weet het soms tot mijn onderbewuste door te dringen. Dat gebeurde bijvoorbeeld lang geleden met Vanmorgen vloog ze nog. Ik werkte toen in een drankgroothandel, een paar maanden voordat ik mijn militaire dienstplicht moest vervullen. Ik hoorde de stem van Robert Long en stond als aan de vloer genageld. Hoewel ik de musical Tsjechov toen nog niet kende, heb ik de laatste paar uur vrij genomen en ben ik direct naar een platenwinkel gegaan. Ik heb de musical later tweemaal in het theater gezien met Boudewijn de groot in de hoofdrol.
Hetzelfde gebeurde met Waar ik niet aan wen van Kiki Heessels. Uit een brei van achtergrondmuziek kwam plots haar betoverende stem naar voren: Ik woon in een wereld waar ik niet aan wen. Ik wacht op iemand die ik nog niet ben. Ik wacht op iemand die ik nog niet ben. Kippenvel. Een paar keer luisteren later kende ik de tekst van buiten en het is nog altijd mijn lijflied. (Ik wacht overigens nog steeds!)
Met middeleeuwse muziek (eigenlijk renaissancemuziek maar dat klinkt minder mooi) gebeurde iets soortgelijks toen ik twintig jaar geleden A Tenth Anniversary Sampler van het platenlabel Hyperion in handen kreeg. Hoewel mijn Frans niet al te best is, werd ik meteen geraakt door het nummer Le souvenir de vous me tue van Robert Morton. Het had niet misstaan op het programma van Capilla Flamenca in het Muziekgebouw aan ‘t IJ in Amsterdam op zaterdag 30 oktober 2010.
Capilla Flameca - Royne des Flours, Mysterium Amoris. Het klinkt exotisch, maar ze hadden net zo goed kunnen zeggen: ‘Awel, wij komen uit België en wij gaan een paar liefdesliedjes voor u zingen.’ Het is dus niet helemaal onterecht dat de VN kritiek hebben op de Vlaams taalpolitiek. Dat klinkt misschien wat bot, maar wat moet ik dan denken van de volgende - uit het Frans vertaalde - tekst:
Dat ik meer houd van mijn minnaar Dan van mijn echtgenoot Is niet verwonderlijk: Hij is de meester Van die mooie kunst Uitgeoefend in het donker.
Mijn minnaar is vol leven, Mijn echtgenoot traag, En ik ben een jonge vrouw; Mijn hart zou onecht zijn Om te houden van een zo oude En walgelijke man.
Als ik bij hem ben Verveel ik mij dood Niets kan mij plezieren; Pas als hij dood zou zijn En liggen rotten in de grond Zal ik op mijn gemak zijn.
Deze en andere muziek van Alexander Agricola werd overigens wel op sublieme wijze uitgevoerd door de musici van Capilla Flamenca, een gezelschap dat vernoemd is naar de voormalige hofkapel van keizer Karel V. Toen deze vorst in 1517 de Lage Landen verliet, nam hij zijn beste musici me om hem als ‘levende polyfonie’ naar Spanje te vergezellen. Volgens het programmaboekje was Alexander Agricola zijn tijd ver vooruit en lijkt het alsof hij elementen uit de vroege Barok gebruikte. Dat klopt wellicht als je Agricola vergelijkt met Josquin Desprez, maar tijdgenoot Clément Janequin ging met zijn Le Chant des Oiseaux nog zeker twee stappen verder, en die kun je toch ook nauwelijks een voorloper van Messiaen noemen.
Ondanks de professionaliteit van het gezelschap blijf ik wel enige twijfels houden over de manier van uitvoeren. Capilla Flamenca had de muziek ingedeeld naar oplopende graad van seksuele opwinding. Zeg maar van K3 tot Gainsbourg/Birkin (ik ken zo gauw geen Belgisch equivalent van dit paar.) Zouden deze hevig erotische teksten in de paleizen van de keizer daadwerkelijk zo sereen zijn opgevoerd als de Capilla dat nu deed? Ik heb onlangs in Hoensbroek nog een riddertoernooi bijgewoond, en hoewel de spreekstalmeester daar overduidelijk een handtasjesridder was, lijkt het me toch dat het er na de opwinding van de strijd in zo’n kasteel heel anders aan toe gaat. Overigens hebben de Belgen daar ook een antwoord op: de dames van Laïs. Het lijkt me buiten de taalstrijd in België een aardige discussie wie van beide gezelschappen het dichtst de oorspronkelijke uitvoeringspraktijk benadert.
Neemt niet weg dat ik met veel plezier heb geluisterd en ik verheug me in het bijzonder op het volgende concert in de serie ‘Koren’: Het Lets Radio Koor. Ik heb ze al eens eerder aan het werk gezien en dat was fenomenaal. Het rauwe uiterlijk van het Finse schreeuwkoor Mieskuoro Huutajat, maar dan zonder te schreeuwen.