Toen ik de intercity naar Den Haag in Eindhoven van een collega uit Venlo overnam, voelde ik me direct op een vreemde manier bekeken. Alsof er nog iemand in de cabine aanwezig was. Een koude rilling trok door me heen. Dat onaangename gevoel werd nog versterkt toen ik na Rotterdam Zuid de tunnel in dook. Even zag ik geen hand voor ogen, daarna bezorgden de stroboscopische lichtflitsen van de aan de muren opgehangen lampen me bijna een paniekaanval. De stuurtafel nam de dreigende vormen van een krankzinnig gezicht aan. Bij elke flits leken de wanden van de cabine dichter op me af te komen. Het werd er niet aangenamer op toen er ook nog een luide bel klonk. Mijn hart sprong omhoog bonkte als een razende in mijn keel. Automatisch trok ik aan de rem. Het duurde enkele seconden voor het tot me doordrong dat het slechts de bel van de ATB was die een snelheidsvermindering afdwong. Met het dalen van de snelheid kalmeerde ook mijn hartslag weer een beetje en het station van Rotterdam Blaak dook als een oase van licht op uit het duister.
Blaak, waar kende ik die naam nog meer van? Vaag zag ik de gezichten van een gezin rond het monopolybord. Vreemd genoeg herkende ik er niet één van. Net op tijd besefte ik dat ik bijna stil stond en gaf ik een zwiep aan de tractiehendel. Met het zweet op mijn rug en trillende handen bereikte ik Rotterdam Centraal. Daar werd ik opgewacht door een mentormachinist en zijn leerling.
‘Hé joh, hoe is het ermee?’ vroeg de mentor joviaal. Zijn gezicht betrok. ‘Sorry,’ zei hij vervolgens. ‘Ik dacht even dat je iemand anders was.’
‘Dat denk ik al de hele rit,’ had ik bijna gezegd, maar gelukkig kon ik me nog net inhouden.
‘Als je het goed vindt, rijdt deze leerling het laatste stuk naar Den Haag. Hij heeft straks examen.’ Mijn collega keek me een beetje bezorgd aan. Ik was al lang blij dat ik van de trein af mocht en draaide mijn stoel. Door in beweging te blijven probeerde ik mijn knikkende knieën te verbergen.
Terwijl ik mijn spullen inpakte, keek ik vanuit mijn ooghoeken naar de aspirant machinist. Ik zag hoe hij de afmeldknop van de treintelefoon indrukte om zijn eigen personeelnummer in te kunnen vullen. In een flits begreep ik wat er mis was gegaan. Ik was vergeten mijn eigen nummer in te vullen. De hele rit van Eindhoven naar Rotterdam had ik gereden met de identiteit van de machinist uit Venlo van wie ik de trein overgenomen had. Die waanideeën die ik onderweg had waren niet van mezelf, maar van hém! Een loden last viel van me af en opgelucht liep ik in Rotterdam naar het personeelsverblijf. Jammer dat mijn volgende trein vanuit Den Haag vertrok.
Nog een horrorverhaal. Het bovenstaande filmpje (maar dan een andere versie die later is verwijderd door YouTube) heb ik ook in week 43 gebruikt. Daarbij heb ik aangegeven waarom een dergelijke situatie bij een machinist meer stress kan oproepen dan een zelfdoding.
Jan Mulder liet het filmpje 30 oktober opnieuw zien bij De Wereld Draait Door. Hij vertelde geschokt hoe erg het moest zijn geweest voor de moeder, die minutenlang in onzekerheid heeft gezeten. Ik schaam me diep te moeten bekennen dat ik daar nog niet aan gedacht had. Misschien moet ik toch iets vaker uit mijn cabine komen.
Maar geen slecht woord over kluizenaars. Zeker niet als ze Oestvolskaja heten.
De vrouw met de hamer
Dinsdag 27 oktober, de eerste Scherpdenkers van het nieuwe seizoen in muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven. De spreker vanavond: theoloog, dichter en wijsgeer Huub Oosterhuis.
Een vrij curieus publiek in de zaal. Oosterhuis begon nogal laatdunkend over moderne spiritualiteit. Van oorsprong had je volgens Van Dale Benedictijnse en Franciscaanse spiritualiteit, nu kon je kiezen uit een keur van ‘events’ (Oosterhuis’ eigen woorden), van spirituele voetmassage tot de boeken van Eckhart Tolle. Gelach uit de zaal. Iedereen was het uiteraard met hem eens. Ook toen hij het over George Steiner had, die je niet mocht verwarren met de antroposoof Rudolf Steiner, kon Oosterhuis rekenen op instemmend gelach. Die vergissing zou niemand maken. Elke kwinkslag van Oosterhuis werd met gelach begroet.
Ik houd niet zo van die groepsgeest. Maar uit dit moeras van ironie kwam uiteindelijk naar boven dat Oosterhuis zelf ook maar weinig mensen als volmaakte gelovigen kon aanwijzen. Franciscus, Damiaan en misschien moeder Theresa. Stilte in de zaal, ik hoop ook een beetje uit schaamte. Hij vergat niet alle naamlozen die eenzaam als kluizenaar zijn gestorven nog te vermelden. En voor kluizenaars heb ik altijd een diep respect.
Dat sloot mooi aan bij de componiste van vanavond: Galina Oestvolskaja. Niet alleen was zij wars van elke vorm van publiciteit en weigerde zij deel te nemen aan het officiële muziekleven; zij leidde een apert kluizenaarsbestaan (tekst programmafolder). Door Dmitri Sjostakovitsj werd ze als volgt omschreven: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de muziek van Galina Ivanovna Oestvolskaja wereldwijd erkenning zal vinden, gewaardeerd door allen die de waarheid in de muziek van het grootste belang vinden.’ De Nederlandse musicoloog Elmer Schönberger typeerde haar als ‘De vrouw met de hamer.’
En dat ze de vrouw met de hamer was, werd al snel duidelijk. Al tijdens het eerste stuk dat Asko|Schönberg speelde, liepen er mensen gechoqueerd de zaal uit. Dona nobis pacem, heette deze eerste compositie, maar veel rust werd het publiek niet gegund. Het stuk voor tuba, piccolo en piano was hard, hoog en rauw. Volstrekt compromisloos en in niets lijkend op iets dat ik ooit eerder had gehoord. Overweldigend, indringend. Het lachen was ondertussen iedereen vergaan. Vooral de piccolo sneed door merg en been. God allemachtig, was mijn eerste reactie op dit stuk. Helemaal in de lijn van de componiste dus.
De echte hamer kwam pas in het tweede deel. Mahler gebruikte ooit twee hamerslagen van het noodlot in zijn zesde symfonie. Een derde slag durfde hij niet te geven omdat hij gedroomd had dat die voor hem zelf zou zijn. Dan was wat Oestvolskaja deed beslist het noodlot tarten. Oorverdovend hard waren de vele slagen die op een grote versie van een woodblock werden gegeven. Het leek een anderhalve meter lange doodskist die aan touwen in een metalen stellage hing. De slagwerker werd begeleid door maar liefst acht contrabassen en een piano. Dies Irae heette deze tweede compositie. En daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Ongelooflijk briljante uitvoering ook. Het is me een raadsel hoe alle inzetten en hamerslagen zo gelijk konden klinken. Hulp van boven?
Met de derde compositie Benedictus, qui venit werd deze avond door fluiten en fagotten toch nog vrij vriendelijk afgesloten. Een indrukwekkende avond met werken van een componist die in haar hele leven slechts een stuk of 25 stukken geschreven heeft. Componeren deed ze namelijk alleen wanneer zij ‘in een staat van goddelijke genade’ verkeerde. Of dat dan de God der liefde of de God der wrake was, ben ik nog niet helemaal uit. Indruk hebben haar composities zeker gemaakt. Alle lof ook voor Reinbert de Leeuw die wat hedendaagse muziek betreft op eenzame hoogte staat. Ik hoop dat het nog lang zal duren voordat hij zich in een kluis terugtrekt. Op een avond met bloedende oren als een soort moderne stigmata, weet je tenminste weer dat je leeft.
*******
Wolfheze
Maandag 26 oktober. Donkere wolken pakken zich samen boven Wolfheze als ik met de intercity van Utrecht naar Arnhem het station nader. Hopelijk geen onheil voorspellende weersituatie. Hoewel deels achterhaald, zorgt het beeld van een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in de buurt van het spoor, bij menig machinist nog steeds voor een angstig voorgevoel.
Toch roept de naam ‘Wolfheze’ bij mij ook andere associaties op. Dan denk ik aan de prachtige, doorleefde teksten uit de psychiatrische dagboeken van Bert Weijde, beter bekend als Frans Veen, zoals de schrijver J.J. Voskuil hem noemde in de romanserie ‘Het Bureau’. Bert Weijde beschrijft hierin gedachten en dromen tijdens zijn verblijf in Wolfheze. Het was een eenzame man, maar hij had iets met boeken en schrijven. En eenzaamheid, boeken en schrijven zijn nu eenmaal woorden die perfect bij mij als machinist passen. Van het volgende citaat krijg ik dan ook altijd kippenvel:
Maar toch dat idee dat ik steeds maar zou lezen, dag in dag uit, alleen wat slapen, eten en drinken en proviand kopen, verder aldoor in dezelfde houding op bed, met steeds een lamp achter me, de gordijnen dicht, geen dag en geen nacht meer dan alleen het doortikken van de wekker. Ik zou steeds minder worden, niet meer kunnen lopen, nauwelijks meer kunnen horen, niet meer kunnen zien dan de duizenden woorden, miljoenen letters, bladzijde na bladzijde en tenslotte was ik zelf een boek en wie mij zou vinden zou alleen maar bladzijden vol zien.
Het is Bert Weijde uiteindelijk gelukt. Onder het ijs, heet het boek. Een Psychiatrisch dagboek en Dromen en monologen, bezorgd door vriendin Frida Vogels. Wel een boek om even voor te gaan zitten. Blijft de vraag wat het over mij zegt, dat ik me zo thuis voel in de wereld van een psychiatrisch patiënt…
Dat moeten ook de vijf vrouwen gedacht hebben die ik ontmoette in eetcafé Publiek. Het doet te veel pijn om dat hier te herhalen.
De ambtelijke molens van het spoor
Toen ik op woensdagavond 28 oktober 2009 met de stoptrein van Tilburg naar Tilburg West reed, verbaasde ik me over de seinopvolging. Groen knipper – laag groen – geel. Dat was tot dan toe altijd Groen knipper of hoog geel – geel – geel knipper geweest. Met het risico dat het laatste seintje niet aan het verwachtingspatroon voldeed en rood toonde. Hoe kwam het dat deze gevaarlijke situatie zo plotseling verbeterd was?
Op 26 juli 2007 passeerde de machinist van een stoptrein onterecht het laatste rode seintje in de verwachting dat het – zoals gebruikelijk – geel knipper zou tonen. Tot zijn grote schrik kwam hij op hetzelfde spoor terecht als een naderende goederentrein. ‘Tilburg ontsnapt aan een ramp,’ kopten de kranten, al zou bij de lage snelheid van minder dan 40 km/uur alleen de machinist van de stoptrein ernstig gewond kunnen raken.
Zoals altijd na dit soort bijna-aanrijdingen, deed de Inspectie Verkeer en Waterstaat onderzoek naar de toedracht van het incident. Daarbij gingen ze niet over één nacht ijs want het definitieve rapport verscheen pas op 16 juni 2008, bijna een jaar later. Uit het rapport kwam duidelijk naar voren dat de schuld bij de machinist van de stoptrein lag. Sancties werden er echter niet opgelegd omdat de onduidelijke seinopvolging niet in zijn schoenen kon worden geschoven maar te wijten was aan het beleid van Prorail. Uit het rapport van IVW:
Omschrijving: De seinbeeldopvolging groen-knipper → geel→ rood of
geel-knipper geeft geen eenduidige informatie aan de machinist over het volgende seinbeeld.
Deze seinbeeldopvolging kan worden verbeterd door spoor 923 te voorzien van treindetectie. Sein 74 zal dan in de normale aankomstsituatie geel tonen na instellen van een rijweg naar spoor 923.
Betrokken organisatie: ProRail
Toelichting: Doordat sein 96 geen eenduidige informatie geeft over het seinbeeld in sein 74 kan bij machinisten onduidelijkheid of een verwachtingspatroon ontstaan. Spoor 923 is een deel van een voormalige spoorlijn, waarvan door roestvorming op het niet bereden deel detectie niet kan worden gegarandeerd door ProRail. Om die reden is in het verleden gekozen voor het instellen van rijwegen met geel knipperend licht. Het standaard gebruik van het seinbeeld geel knipper in sein 74 doet afbreuk aan de waarde van het seinbeeld geel-knipper namelijk het attenderen van de machinist dat hij op zicht moet rijden.
Tja, ambtelijke molens malen langzaam. Maar ruim twee jaar na dato is deze gevaarlijke situatie dan eindelijk verleden tijd. De reiziger die klaagt over enkele minuten vertraging ziet nu dat er achter de schermen wel degelijk keihard gewerkt wordt aan zijn of haar veiligheid!
Over molens gesproken. Die wieken kunnen ook gekke dingen doen. Of dat is gebeurd tijdens de 'Doldagen', laat ik aan ieders eigen interpretatie over.