Reizigers in 2012

WEEK 36

Een verhaaltje als reactie op de kledingvoorschriften en de nogal kinderachtige manier waarop ze gepresenteerd worden.

De baard van Sinterklaas

 Ik ben deze zomer naar Spanje geweest. Niet op vakantie maar op een soort dienstreis. Het is bijna niemand opgevallen want het stond op één van de laatste bladzijden van een niet al te betrouwbare krant, maar het stond er toch echt: Sinterklaas zal dit jaar de NS niet bezoeken. Omdat er geen reden vermeld was, besloot ik op onderzoek uit te gaan.

Henk en Henk waren het adres kwijt, maar luid zingend ‘Sinterklaas, wie kent hem niet’ werd ik in Madrid binnengehaald in een oud huis door iemand die zich Piet noemde. Deze Zwarte Piet, die trouwens in zijn vrije tijd opvallend bleekjes ziet, bracht me naar een oude man met een lange baard; de enige echte Sinterklaas.

‘Dus u bent van de NS?’ vroeg hij somber. Zonder op antwoord te wachten overhandigde hij mij een klein boekje. De kledingvoorschriften.

‘Daar staat in dat mannen met baarden vies zijn,’ zei de Sint.

‘Nou, zo staat het er toch niet,’ probeerde ik voorzichtig, maar de Sint liet me niet uitspreken.

‘Leer mij niet tussen de regels door lezen,’ siste hij. ‘Als ik twee identieke verlanglijstjes zie, weet ik welk kind thuis verwend wordt en welk geslagen. Dat is al honderden jaren mijn vak. Als er geschreven wordt dat baarden niet representatief zijn en als je er persé toch één wilt laten staan, of je die dan alsjeblieft wel een beetje wilt verzorgen, dan lees ik dat mannen met baarden vies zijn. Nou, mijn baard gaat net zo vaak onder de douche als de Sint zelf, of dacht je dat ik mijn baard als ik niet in Nederland ben, in de kast kan hangen?’

Hijgend ging de Sint zitten. ‘En dan nog wat, als het warm is in de machinekamer, dan gaat de mijter af en de tabbert uit en ga ik niet eerst op teletekst kijken hoe warm het is in De Bilt.’

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Hoe kun je iemand tegenspreken die deze eeuw zijn zeventienhonderdste verjaardag viert. Dus gooide ik het over een andere boeg.

‘Maar Sinterklaas, als er nu vijftig NS-ers zijn die niets tegen baarden hebben, dan kunt u om hunnentwil toch het hele bedrijf bezoeken?’

De Sint bleef me even peinzend aankijken. ‘Of vijfenveertig,’ probeerde ik zachtjes. Sinterklaas barstte in lachen uit.

‘Dat boek ken ik,’ riep hij uit. ‘Nu ga je afdingen tot tien en verder durf je niet. Dat is gedicteerd door mijn grote baas!’

Hij bedaarde wat en ging toen verder: ‘Ik ben maar een eenvoudige bisschop maar je hebt gelijk, ik zal óók vergevingsgezind zijn. Bovendien heb ik wel iets met treinen.’ Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. ‘Ik herinner me nog het feest bij de familie Hermans thuis. Met het hele gezin speelden we treintje, de kleine Toon als locomotief voorop. Zo’n aardige jongen, met heel weinig was hij al tevreden.’

De Sint staarde even in gedachte voor zich uit. Toen kreeg zijn blik iets boosaardigs. Hij boog voorover, knipte een ouderwets scheermes open en zei met zo’n satanische stem dat ik onwillekeurig mijn knieën bij elkaar kneep: ‘Maar de eerste de beste die ook maar iets over mijn baard zegt, die hoeft, daar zal ik persoonlijk voor zorgen, zich de hele verdere maand december geen zorgen meer te maken over overtollige lichaamsbeharing.’

 

< Vorige       Volgende >

Machinistlog.nl | info@machinistlog.nl