De kleine trap
Je kunt in een grot wonen, of in een hol onder de grond. In een iglo of, als het niet koud genoeg is om water in ijs te laten veranderen, in een bungalow. Een trap zul je in die gevallen niet nodig hebben. Dat wordt anders als je twee bungalows op elkaar stapelt. Je kunt niet van iedereen verwachten dat ze tegen de regenpijp omhoog klimmen. Een trap met dertien treden is dan onvermijdelijk. Een huis met twee verdiepingen heeft er zelfs twee nodig en een huis met drie verdiepingen drie. Een flat met tien verdiepingen heeft voor het gemak een lift, maar voor noodgevallen zullen er toch altijd brandtrappen aanwezig zijn.
Tegenwoordig vinden we tien verdiepingen niet meer genoeg. We willen hoger en hoger wonen. Dertig, veertig verdiepingen is in Nederland al heel normaal. In New York noemen ze dat een laag gebouwtje. Daar bouwen ze tot ver boven de honderd. Maar nog gekker maken ze het in het Oosten. Er staan daar al woontorens van achthonderd meter en er zijn zelfs plannen om te gaan bouwen tot twee kilometer hoogte. Ik weet niet hoeveel etages dat zijn, maar het zal nog een heel werk worden om voor iedereen een brievenbus bij de ingang te maken.
Dit verhaal gaat over een nog hogere toren, eentje tot in de wolken, en een kleine trap, laten we zeggen met vijf sporten. Deze toren stond in het oosten van de wereld, niet ver van de oceaan. Hij was gebouwd door een rijke fabrieksdirecteur die zijn geld vooral had verdiend door zijn werknemers veel te weinig te betalen. Ze moesten zes dagen per week werken en vakantie kregen ze niet. Een dag ziek zijn of je verslapen betekende onmiddellijk ontslag. Hij was dan ook geen geliefd man, maar omdat hij alle andere fabrieken in de stad had opgekocht, hadden de mensen weinig andere keus dan voor hem te werken. Logisch dus, dat er steeds vaker stemmen opgingen om die uitbuiter eens een lesje te leren.
Op een dag besloot een groepje mannen van de avondploeg niet aan de slag te gaan, maar de directeur bij zijn woning op te wachten. Ze verscholen zich achter de bakkerij op de hoek van de straat, terwijl één van hen zo onopvallend mogelijk op de uitkijk ging staan. Deze zag dat om klokslag zes uur de baas door zijn chauffeur voor het gebouw werd afgezet. De mannen wachtten een paar minuten tot de auto weg was en ze er zeker van waren dat de directeur hen niet aan zag komen en slopen toen naar de ingang van de toren. Daar wachtte hen de eerste verrassing. Ze hadden verwacht dat er een heleboel drukknopjes bij de deur zouden zitten, één voor iedere woning in de toren, om je bezoek aan te kondigen. In plaats daarvan zat er slecht één bel bij de deur en een beeldscherm. Zouden alle bewoners tegelijk naar de deur lopen als ze op die bel zouden drukken? Ze zagen ook geen brievenbussen. Misschien woonde de directeur wel helemaal alleen in dit gebouw. In dat geval zou hun komst nooit onopgemerkt blijven. Een paar minder dappere mannen van het groepje hielden het nu al voor gezien. De grootste van het stel liet zich echter niet zo gemakkelijk wegjagen en zei: ‘Als iemand vragen stelt zeggen we gewoon dat we onderhoudsmonteurs zijn. We hebben immers allemaal gereedschap bij ons.’
Dat laatste was waar, maar ze hadden het niet voor onderhoudswerkzaamheden meegenomen. De koevoet was om deuren open te breken, de touwen waren om de directeur te knevelen en het plakband om hem de mond te snoeren. Waar de schroevendraaiers voor dienden wist de eigenaar ervan zelf ook niet zo goed, maar ze konden altijd van pas komen. De man haalde een keer diep adem en drukte toen op het knopje. Zonder hapering schoof de deur open, alsof ze verwacht werden. Dit werd nog één van de werknemers te veel, zodat er uiteindelijk slechts vijf van de oorspronkelijk acht mannen het gebouw binnen gingen.
Een nieuwe verrassing wachtte hen bij de lift. Er was een knop met een pijl naar boven, een knop met een pijl naar beneden en een knop waar STOP op stond. Je kon niet kiezen naar welke verdieping je wilde en ook kon je niet zien waar je je op dat moment bevond. Ze waren van plan geweest naar de op één na hoogste etage te gaan en dan via de trap naar boven te sluipen. Dan zou de directeur in ieder geval de lift niet horen. Maar hoe wisten ze nu wanneer ze moesten stoppen? Opnieuw gaf één van de mannen het op. ‘Die vrek heeft niet alleen al ons geld ingepikt,’ zei hij met een verbeten gezicht, ‘hij heeft ook nog eens een krankzinnig gebouw neergezet met waarschijnlijk allerlei valkuilen. Ik denk dat het hier één groot doolhof is waar je nooit meer uit komt als je de weg niet weet. Mij niet gezien, ik ga naar huis.’ De vier overblijvers keken elkaar even vragend aan. Toen drukte de oudste van het stel op de pijl naar boven. De liftdeuren schoven dicht en de lift schoot zo snel omhoog dat de mannen even een misselijk gevoel in hun maag kregen, al kunnen dat ook de zenuwen geweest zijn. Na een tijdje drukten ze op goed geluk op de STOP-knop om de rest van de weg per trap af te leggen. Ze hoopten maar dat het er niet al te veel meer waren zodat ze niet volkomen uitgeput bij de bovenste verdieping zouden komen.
Ondertussen had de directeur zich in zijn woning al omgekleed. Overdag liep hij strak in het pak rond, maar thuis voelde hij zich het prettigst in een slobberig joggingpak. Hij zette en muziekje op en schonk zichzelf een drankje in. Hij genoot van het uitzicht. Precies zoals hij het wilde hebben. Door de ramen overzag hij de gehele stad met al zijn fabrieken en andere eigendommen. Daarbuiten zag hij de bossen, velden en andere steden en dorpen. Precies boven zijn hoofd begonnen de wolken. Hij bevond zich op het hoogste punt dat een mens kon bereiken. Heel even betreurde het dat hij zijn geluk met niemand kon delen, maar er kon nu eenmaal slechts één persoon aan de absolute top staan en hij was blij dat hij dat was. Hij had er geen idee van dat onder hem vier mannen de trappen beklommen met het voornemen hem heel snel van die top af te gooien.
Net toen hij aan tafel ging zitten om de krant te lezen, hoorde hij een vreemd geluid van zijn balkon. Eerst zag hij niets maar toen hij nog eens goed keek naar de plaats waar het zachte getik vandaan kwam, zag hij dat een klein vogeltje bijna stil voor de ruit hing en er af en toe zachtjes tegenaan vloog. Nu had de directeur weinig op met vogels, behalve als ze gebraden op zijn bord lagen, maar dit diertje maakte hem nieuwsgierig. Hij opende de deur naar zijn balkon en liep naar buiten. Het vogeltje nam wat afstand van het raam en ging net onder de rand van de wolken vliegen. Toen de directeur er zijn hand naar uitstak, verdween het in de wolken onder het zingen van een prachtig lied. Teleurgesteld liet hij zijn hand weer zakken. Het vogeltje kwam weer uit de wolken tevoorschijn. Opnieuw stak hij zijn hand uit. Het diertje verdween weer. De directeur ging op zijn tenen staan. Met zijn hand zat hij nu in de wolken. Hij was ervan overtuigd dat dit beestje hem iets wilde vertellen, of iets wilde laten zien. Moest hij nog een extra verdieping laten bouwen om ín de wolken te kunnen kijken?
Hij kon zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, hij moest het geheim van het vogeltje weten. Heel voorzichtig klom hij op de balustrade van zijn balkon. Zijn hoofd kwam nu in de wolken. Hij hoorde het gezang nog wel, maar hij zag niets meer. Hij ging op zijn tenen staan en maakte zich zo lang mogelijk. Het was nog steeds niet genoeg. Ondertussen werd het gezang steeds verleidelijker. De directeur wist zeker dat het voor hem bedoeld was, zoals hij er altijd van uit gegaan was dat de wereld voor hem geschapen was. Hij deed nu iets waar zelfs de beste circusartiest ter wereld voor terug zou deinzen. Uit zijn bergkast haalde hij een keukentrapje. Een trapje met vijf sporten. Dat wankele trapje zette hij op de balustrade van zijn balkon en zich moeizaam in evenwicht houdend, klom hij omhoog. Geen moment dacht hij aan de duizelingwekkende diepte waarin hij zou vallen als het trapje om zou slaan. Toen hij op de bovenste plank stond, staken zijn hoofd en schouders eindelijk boven de wolken uit. Zijn mond viel open van verbazing. De ondergaande zon verspreidde een prachtig licht over de bovenkant van de wolken. Hij hoorde de mooiste muziek en hij zag meer vogels dan hem ooit onder de wolken opgevallen waren. En niet alleen vogels. Er leek een heel dierenrijk boven de wolken te bestaan. Een hele wereld die je vanaf de onderkant niet kon zien. De directeur was zo overweldigd door dit bovenaardse schouwspel, dat hij vergat zijn evenwicht te bewaren. Te laat voelde hij hoe het trapje onder hem vandaan gleed en toen pas besefte hij hoe hoog hij zich boven de bodem bevond en dat een lange val het laatste was dat hij nog zou beleven. Een hele tijd bleef hij met zijn ogen dicht wachten op wat onvermijdelijk leek. Tenslotte deed hij ze toch maar weer open en merkte dat hij nog steeds met zijn armen op de wolken rustte. Hij trok zichzelf op en ontdekte dat hij op de wolken kon staan en er zelfs overheen kon lopen. Heel even dacht hij nog aan zijn geld en al zijn bezittingen die hij aan de andere kant had, maar hij kreeg er geen enkel warm gevoel meer bij. Hij besloot de rest van zijn leven boven de wolken te slijten en nooit meer naar beneden te gaan.
Hijgend bereikten de mannen de bovenste verdieping. Het groepje was uitgedund tot drie personen omdat ze onderweg ruzie hadden gekregen over het lot van de directeur. Ze hadden besloten hem van zijn balkon naar beneden te gooien. De vierde had dat moord genoemd en geweigerd daaraan mee te werken. Hij had de lift naar beneden genomen. Hoewel de overgebleven drie eigenlijk veel te moe en dorstig waren om de directeur te kunnen overmeesteren mocht hij hulp hebben, toch braken ze met de koevoet zijn deur open. Met koevoet, hamer en touw en plakband in de aanslag stormden ze de kamer binnen. De directeur was echter onvindbaar. Tot hun verbazing stond alleen de deur naar het balkon open. Hij zou toch niet zelf…? Dan zouden ze straks zijn lichaam op de straat moeten vinden. Ze zouden misschien zelfs de schuld kunnen krijgen van iets dat ze niet gedaan hadden, alleen van plan waren geweest. Geen van drieën hadden ze oog voor het vogeltje dat vanaf het balkon zijn lied zong. Het vertelde hen de ware toedracht van het verhaal en dat ze beneden geen lichaam zouden aantreffen. Jammer dat niemand nog het geduld heeft de taal van vogels te leren.
*****
De muziek is van Mike Oldield. Een fragment uit Far above the clouds van zijn album Tubular Bells III.