Reizigers in 2012

De Vogelverzamelaar

Heel lang geleden leefde er een man die verschrikkelijk veel van vogels hield. Zo veel, dat hij besloot ze te gaan verzamelen. Hij bouwde kooi die groter was dan zijn huis en monsterde aan op een schip met ontdekkingsreizigers. Tijdens het varen moest hij hard werken voor de kost maar als ze in een verre haven aangemeerd hadden en de anderen de rijkdommen van vreemde culturen probeerden te vergaren, ging hij op vogeljacht. Hij rende over velden, klom in bomen die tot in de hemel leken te reiken, overleefde de beten van griezelig uitziende insecten en verdronk bijna in modderige beekjes maar de stapel kisten in het ruim van het schip groeide en groeide.
       Groot was zijn teleurstelling dan ook toen hij na een jaar thuiskwam en merkte dat slechts een paar dozijn dieren de reis overleefd had. In veel kisten trof hij niet veel meer aan dan een uitgedroogd stukje huid met wat veren en een snavel. De vogels die nog wel leefden kropen weg in een hoekje van de kooi of zaten stilletjes op een tak. Slechts een enkeling wilde eten van de vruchten en het zaad dat hij ze gaf en twee vogels moest hij snel vrij laten omdat ze de andere opaten. Elke dag vond hij meer dode dieren en na zes dagen was er nog maar een handjevol over. Ontgoocheld zakte hij tegen een wand van zijn kooi op de grond, zijn hoofd moedeloos tussen zijn handen.
       Toen voelde hij een zacht briesje langs de stoppeltjes op zijn wang strijken. Hij keek op en zag een klein vogeltje al fladderend doodstil in de lucht hangen. Het leek of het beestje hem iets wilde vertellen. Hij hield zijn oor zo dicht mogelijk bij het verzwakte diertje en luisterde. Eerst begreep hij het gezang niet maar toen hij zijn ogen sloot en het gefluit goed tot hem door liet dringen ontstonden er beelden in zijn hoofd. Het vogeltje schilderde het bos waar het gevangen was. Hij zag de zon schijnen op een open plek waar zijn soortgenoten honing dronken uit gele bloemkelken en kunstig geweven nesten hoog in de bomen hingen. Hij hoorde water in kleine stroompjes naar een beek lopen in een schitterend lied van verlangen en tranen kwamen in zijn ogen. Hij vouwde zijn handen, liet het vogeltje daarin rusten en liep de kooi uit.
       ‘Vlieg omhoog, klein vogeltje,’ fluisterde hij heel dicht bij het diertje. ‘Daar staat een warme luchtstroom die je binnen een dag naar je eigen land terugbrengt. Het spijt me dat ik je heb meegenomen.’ Hij bracht zijn armen boven zijn hoofd en keek hoe het diertje omhoog cirkelde en uit het oog verdween.
       Toen hij de kooi weer inkwam, liep er een eens zo trotse vogel op hem af waarvan hij zich herinnerde dat deze soort verschrikkelijk hard kon lopen. Hoewel dit lied lang niet zo mooi werd gezongen, was het net zo droevig. Hij bracht het dier naar buiten en zei: ‘Ren zo hard je kunt naar waar de zon ondergaat. Dan ben je aan het eind van de dag nog bij je soortgenoten.’
       En zo liet hij alle overgebleven vogels gaan, nadat hij naar hun verhaal had geluisterd.

Maar het gebeurde liet hem niet meer los. Soms stond hij midden op straat stil. Dan begon zijn lip te trillen en kwamen er tranen in zijn ogen als hij aan al die dieren dacht. Hij moest opnieuw op jacht. Maar ditmaal ving hij niet de vogels maar uitsluitend hun verhalen. En hij begon ze door te vertellen, ’s avonds bij het kampvuur of overdag aan groepjes kinderen. Mensen begonnen zijn verhalen op te schrijven en er zelf nieuwe verhaaltjes bij te bedenken.

En zo komt het dat verhalen en muziek zo goed samengaan. Want als je goed naar een mooi verhaal luistert, kun je er altijd het lied van een vogeltje in ontdekken.

 

 

***

De muziek is een fragment uit Madama Butterfly van Puccini. Geen vogel, maar ze dacht wel dat ze kon vliegen.

 

Machinistlog.nl | info@machinistlog.nl