Een kerkhaan in Schalkwijk Was het tellen moe Hij vermomde zich En brulde als een leeuw
Sindsdien Moet je er op je tellen passen
Zie de leeuw bij 01:48
Is dit kunst?
Vlak voor de theatervoorstellig van Arno Huibers in het Eindhovens Parktheater, ben ik nog even door het Van Abbemuseum gelopen. In de eerste zaal die ik bezocht, was de volgende installatie te zien:
Dan kun je je afvragen: is dit nu kunst? Mijn antwoord: ja, dit is kunst en nee, dit kan uw zesjarig zoontje niet. Ongetwijfeld kent hij mais, als de goudgele, ietwat zoetige groente uit blik. Maar weet hij hoe mais groeit? Hoe een maiskolf eruitziet?
Het enige dat je nodig hebt om er kunst van te maken, is een beetje fantasie. Als het nu een foto uit de krant was, met als onderschrift: Restanten van de boerderij van K. die na de ontekking van zijn martelkelder volledig is gesloopt. Dan zou je nieuwsgierigheid toch gewekt worden, of niet? En wat als deze foto afgebeeld zou worden in de televisiegids bij het programma: Help, mijn man is klusser? Je zou beslist kijken. Tot de uitzending zou je de wildste fantasiën hebben over wat de man in kwestie in hemelsnaam met een stapel gedroogde mais aan wilde vangen.
Mijn fantasie gaat niet zo ver. Ik zie slechts het vervallen boerderijtje tussen Horst-Sevenum en Blerick, dat zo prachtig, onbewoond en overwoekerd met kleurrijke planten en struiken, stond te pronken langs het spoor. Totdat enkele onverlaten het nodig vonden het dak in brand te steken. Het moet een pijnlijke dood zijn geweest.
Kunst is het prikkelen van je fantasie. Andersom is het prikkelen van je fantasie ook een hele kunst. Een kunst die Arno Huibers tot in de puntjes beheerst.
De Kalverstraat, schrik van het monopoly-spel. Waag het eens erheen te gaan wanneer er een hotel staat. Je wordt uitgekleed, daar is de huidige financiële crisis niets bij. En wat doet de Eindhovense clown Arno Huibers? Die bouwt, midden op de Kalverstraat, doodleuk een Theater. Zijn eigen Theater! Maar geen voorbijganger die er failliet gaat. Voor een grijpstuiver of twee, desnoods gegraaid uit de monopoly-bank, neemt de clown je mee in een wereld van fantasie. Een wereld met vele verdiepingen. Van diep onder de grond, tot hoog in de hemel. En toch allemaal tegelijk op hetzelfde toneel te bewonderen. Eén laag voor de allerkleinsten, één voor de wat oudere kinderen, één laag voor volwassenen, al blijft die laatste groep vrij vaak in de klei steken. Fantasie-angst.
Een lach en een traan. Op komische wijze een droevig verhaal vertellen. Oog voor details. Alles heeft een betekenis. Of meerdere betekenissen, zodat je nooit helemaal precies weet wat de clown bedoelt. Toeval bestaat niet, maar je hoeft ook niet in je lot te berusten. Alles geven, weinig krijgen. En die eeuwige twijfel: hebben ze wel gehoord wat ik eigenlijk wilde zeggen? Het is de tragiek van de clown. In het spotlicht ziet iedereen je staan, zelf ben je blind. Het tegenovergestelde van het lot van de machinist: vanuit de donkere cabine zie ik alles, maar niemand die mij ziet zitten. In feite dezelfde tragiek. Dus ook dezelfde oplossing: het creëren van een fantasiewereld. Hoe de wereld van Arno Huibers er nu uitziet – ik weet alleen dat die na mijn laatste bezoek verbouwd is – zal ik snel ontdekken. Wanneer ik de gevangenis passeer, platzak omdat mijn salaris één (glazen) oog te ver is, Rotterdam heelhuids achter me laat en het Theater aan de Kalverstraat bereik.
Soms sta je compleet overdonderd, met open mond, naar de hemel te staren. Tegelijk bonkt het in je hoofd: waar is mijn fototoestel? Nu, meteen! FOTOTOESTEL. Natuurlijk ligt dat ding dan thuis. Samen met je mobiele telefoon, camcorder en andere apparatuur waarmee je tegenwoordig plaatjes kan schieten.
Vanmiddag, zaterdag 21 januari, had ik weer zo’n moment. De avond was net gevallen. Het duister werd versterkt door onheilspellende onweerswolken. Ik kwam uit de supermarkt waar ik een paar ‘vergeten’ boodschappen had gekocht. Een spottende lach, kraaiend van plezier en zo te horen uit vele kelen, trok mijn blik omhoog. Vanaf de spoorzijde, het traject van Eindhoven naar Helmond, vloog een enorme kolonie roeken – of ander kraaiachtigen – over het parkeerterrein. Niet in een zwerm, maar in een colonne van een paar meter breed en honderden meters lang. Even voorbij het hek draaide de hele troep een cirkel omhoog, om vervolgens verder zuidwaarts te vliegen. Daarbij bleef de lintvorm intact, schijnbaar stilhangend als een slinger boven de feesttafel van een jarig kind. Minutenlang hield deze luidruchtige zwarte band stand. Het moeten vele honderden vogels geweest zijn.
Ik dacht onmiddellijk aan de beroemde film van Alfred Hitchcock. Zouden deze vogels zich groeperen om op een later tijdstip dood en verderf te zaaien onder de menselijke bevolking? Maakten ze zich nu al vrolijk over de onverwachte “coup d’oiseaux” die ze gingen plegen? Eindelijk, verheugde ik me, hier kwam de horrorwinter waar ik al zo lang op zat te wachten. Ik had toevallig enkele dagen eerder nog iets over het waarheidsgehalte in The Birds gelezen. Het vreemde gedrag van de vogels zou het gevolg zijn van een schaaldiervergiftiging, die de hersenen van dieren zodanig aantast dat ze alle gevoel voor machtsverhoudingen verliezen. Muizen vallen plotseling katten aan, kikkers roven ooievaarsnesten leeg, sprinkhanen gaan op bezoek bij hun buren: de familie schorpioen en vogels vallen mensen aan.
De playlist die hij heeft opgesteld, zorgt hier en daar voor gemompel. Zijn oeuvre van Sex & Drugs & Rock ‘n’ Roll heeft hem al twee keer eerder in de gevangenis doen belanden. De rechters gingen niet mee in zijn pleidooi dat hij, Oswald von Wolkenstein, de geboorte van Satire verpersoonlijkte.
Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte? Een interessante, filosofische, existentiële vraag die componiste Rebecca Saunders (UK 1967) aan iedere musicus van musikFabrik afzonderlijk stelde als bron van inspiratie voor haar werk Stasis. Je kunt bij het woord ruimte natuurlijk aan diverse lege ruimtes denken, van garagebox tot loods, van douchehokje tot concertgebouw. Vanwege persoonlijke fascinaties denk ik direct aan het heelal, kort na de oerknal. Ik zie mezelf als toeschouwer, onaantastbaar, tussen exploderende sterrenstelsels, botsende planeten, giftige gaswolken en een overweldigend kleurenpalet van sterrennevels zweven.
In een oorverdovende stilte, want geluid plant zich in het luchtledige niet voort.
Amsterdam, zondag 8 januari 2012, 21:22 uur. Ik ben net, met de intercity van Schiphol naar Utrecht, gestopt in Amsterdam Zuid. Ik hoor dat de deuren achter mijn cabine geopend worden. Een paar tellen later zie ik rechts van mij een kleine vrouw – of een jong meisje – in de richting van de trap lopen. Ze heeft een kleurrijke jas aan met een rode kunstbontkraag rond haar nek. Haar leeftijd is moeilijk te schatten, vooral omdat ze een, eveneens rode, ijsmuts diep over haar oren heeft getrokken. Na een paar stappen, die ze bijna swingend aflegt, staat ze plotseling stil en lijkt iets in haar handtas te zoeken. Een Aziatisch uitziende man in een lichtblauwe, goed gevoerde winterjas, loopt bijna tegen haar op. Zonder een woord of zelfs maar een blik te wisselen loopt hij vervolgens om haar heen, een klein koffertje op wieltjes achter zich aan trekkend. Ik schat de man op ongeveer één meter zeventig, het meisje rijkt net tot het begin van zijn borstbeen. Misschien een puber die ouder wil lijken.
Als de vrouw een paar stappen naar voren loopt, zie ik dat ze geen tasje bij zich heeft. Het is een iPod die ze in haar handen houdt. Met twee vingers tilt ze haar muts een stukje op, haalt met haar rechterhand het kleine luidsprekertje uit haar linker oor en draait het er weer in terug. De rimpels in haar gezicht verraden een hogere leeftijd dan ik gezien haar lengte had verwacht. Met haar donkere huidskleur zou het zo’n gezellige Surinaamse kletstante kunnen zijn, maar haar postuur komt niet eens in de buurt van dat van Tante Es. Als de iPod weer goed zit, huppelt ze verder naar de trap. Ze danst niet echt en zingt niet mee zoals je Zuid-Afrikanen vaak ziet doen. Haar nek beweegt nauwelijks. Ze lijkt meer te huppelen, vederlicht door het leven te bewegen met de muziek in haar oren als brandstof voor haar benen.
Als ze bovenaan de trap staat, buigt ze even door haar knieën en tuurt met samengeknepen ogen naar beneden. Dan recht ze haar rug en loopt drie of vier treden omlaag. Daar staat ze abrupt stil, blijft een moment besluiteloos staan en kijkt nog eens goed naar iets of iemand onderaan de trap. Zonder een spier in haar gezicht te vertrekken draait ze vervolgens om en klimt terug naar boven. Daar haalt ze nogmaals het dopje uit haar linker oor, om het er opnieuw in te draaien. Ze kijkt naar het schermpje op haar iPod, maar lijkt niets te wijzigen. Misschien stonden haar benen zo plotseling stil omdat ze tussen twee songs inzat. Stilte is voor sommige mensen moeilijker te verdragen dan een pistoolschot. Als de muziek weer klinkt, brengen haar benen als vanzelf haar lichaam in beweging. Wat zich ook aan het andere einde van de trap bevond, ze keurt het geen blik meer waardig. Ze huppelt om de trap heen, op weg naar de andere uitgang, ver buiten mijn zicht. In een paar tellen danst ze mijn wereld uit.
Uit de speelgoedwereld van masjinist:
De tuin
Vraag een machinist op het station naar zijn tuin en hij zal met zijn vinger naar een kale, dorre vlakte met zwart en roestig puin wijzen, waarin slechts enkele rood/witte stopborden voor wat kleur zorgen. Over winterharde planten, rotsbewoners of struiken vol vlinders, zul je hem niets horen zeggen.
Op sneeuw na, zag ik maandag 2 januari vrijwel alle weertypes voorbij komen. Aan de hand van de beelden doen Goden en Orakels uitspraken over het te verwachten weer. Let vooral op de voorspellingen van Mephisto en Teoyaomqui. Wie? Teoyaomqui.