Terwijl de opkomende zon de laaghangende flarden mist verdreef, reed ik enigszins zenuwachtig richting Arnhem. Op weg naar een blind date. Ik heb wel vaker een date op het spoor, maar daar gaat meestal enige vorm van planning aan vooraf. Nu wist ik helemaal niets van haar. Bij Driebergen-Zeist en Ede-Wageningen liepen we vertraging op doordat ik teveel treuzelde, daarna was er geen weg meer terug.
Ik remde hard toen ik voor Arnhem een geel sein passeerde. De laagstaande zon verblindde me en een ogenblik raakte ik in paniek. Ik zag dat mijn volgende seintje geel knipperde. Wat had dat te betekenen? Direct combineren leek me bij een eerste ontmoeting toch wat al te gewaagd. Langzaam naderde ik het perron waar ze stond te wachten. Ik voelde de spanning door mijn aderen stromen en schrok een beetje toen ik haar ranke vormen zag. Ze was totaal niet wat ik verwacht had. Ze was zo slank dat ik me een opgeblazen kikker voelde. Waar waren haar stroomafnemers? Toen pas drong het tot me door: ze was van een heel andere soort!
Nu ben ik bepaald geen xenofoob, maar wat zouden mijn ouders zeggen als ik als NS-VIRM thuis zou komen met een Syntus-dieseltje? Ook van haar kant was het duidelijk geen liefde op het eerste gezicht. Terwijl ik naderde, toonde ze me afwijzend haar rode sluitseinen. Ik stopte en opende de deuren om alle opgebouwde spanning uit me weg te laten stromen. Een ogenblik bleef ik besluiteloos staan. Toen hernam ik me en maakte me gereed om in tegengestelde richting te vertrekken. Op zoek naar nieuwe avonturen. Er valt nog zoveel moois te beleven tussen de rails.
*****
Vaste bezoekers hebben deze column vast herkend. In een andere versie is hij al eens eerder geplaatst. Nu is hij echter ook gepubliceerd in Ons kent oNS van mei 2010. De muziek is van Angelo Baldamenti en komt uit de film Twin Peaks. Falling wordt gezongen door Julee Cruise.
Messentrekken
Als een conducteur naar een mes grijpt omdat hij zich aangevallen voelt door een agressieve reiziger, wordt hij daarvoor onherroepelijk ter verantwoording geroepen door de bevoegde instanties. Hij zal moeten aantonen dat hij uit noodweer handelde en dat er echt geen andere opties waren, als hij al niet veroordeeld wordt wegens verboden wapenbezit. Een machinist mag daarentegen in voorkomende gevallen messentrekken zonder dat daar sancties op staan. Sterker nog, een machinist die dat snel en vakkundig weet te doen, zonder daarbij vertraging op te lopen, oogst van zowel reizigers als management veel bewondering.
Het gaat hierbij wel om zeer botte messen. Maar als je ertegen duwt in plaats van eraan trekt, wat gezien de uitstekende handvatten eerder logisch dan gevaarlijk lijkt, loop je toch het risico dat je hand klem komt te zitten in de hoogspanningskast van een locomotief. Met alle mogelijke verwondingen van dien. Er is dus wel degelijk over de term nagedacht. En zo snijdt het mes aan twee kanten.
Ik heb zelf overigens nog nooit een mes getrokken, anders dan een botte dolk bij de scouting. Ik ben daar ook niet rouwig om. Ik moet eerlijk bekennen dat ik zelfs een beetje bang ben voor de hoogspanningsruimte in een loc. Maar dat heeft een goede reden; ik krijg zelfs bij de Albert Heijn tijdens mijn tocht door de supermarkt voortdurend elektrische schokken, bij alles van metaal dat ik aanraak. Als ik het van een winkelwagentje al niet kan winnen, moet ik dan in een loc gaan sleutelen?
Spionage
Nederland is wereldkampioen als het gaat om afluisterpraktijken. In 2008 werden hier bijvoorbeeld meer dan tien keer zoveel telefoontaps geplaatst dan in de Verenigde Staten. Als je dat vergelijkt met het aantal inwoners, dan is de kans dat je in Nederland afgeluisterd wordt, enkele honderden keren groter dan in de VS!
Hoe ver deze spionagepraktijken gaan, ontdekte ik toen ik gisteren in de trein stapte. Per toeval zag ik het apparaatje op bovenstaande foto dat verborgen zat in de ventilatieopening van een VIRM. Zou het instrument bedoeld zijn om gesprekken van het personeel in de cabine op te vangen of zouden de treinen van de NS tegenwoordig voor een veel groter doel door de AIVD worden ingezet? Wordt de machinist soms als een moderne spion door het land gestuurd, voorzien van allerlei techinsche snufjes à la James Bond?
Dan had Q wel voor een betere afwerking mogen zorgen, want hier trapt natuurlijk niemand in:
Boyband 'Calefax'
Dinsdag 11 mei, een avond in de serie Scherpdenkers in Muziekcentrum Frits Philips te Eindhoven. De spreker vanavond is Pim van Lommel, cardioloog en schrijver van het boek Eindeloos bewustzijn. De muziek wordt verzorgd door het Calefax Riet Kwintet, in Vrij Nederland onlangs een ‘Boyband’ genoemd. Ik dacht dat de tijd van dit soort jongensgroepjes allang voorbij was. In de jaren negentig had je Take That en East 17, maar die waren toch allemaal dood verklaard? Calefax bewijst het tegendeel en ook Take That schijnt aan een reünie te werken. Het is dus geen toeval dat de lezing vanavond gaat over een Bijna Dood Ervaring.
Tijdens het gereedmaken van het podium voor het concert van het Calefax Riet Kwintet, vertelde fagottist Alban Wesly dat de groep net terug was uit de VS en de jetlag er nog goed inzat. Na twee koppen espresso had hij nu een Bijna Levend Ervaring. Van enige vermoeidheid was in de zaal niets te merken, maar de toon was gezet.
De twaalf delen van Stockhausens Tierkreis worden op virtuoze, theatrale en humoristische wijze uitgevoerd. Om de verschillende, korte melodietjes van de sterrenbeelden goed te kunnen herkennen, had ik die tevoren via internet in allerlei samenstellingen beluisterd. Van solozangstem tot slagwerkgroep. Helaas heb ik geen opnamen van speeldozen, waarvoor het werk oorspronkelijk is gecomponeerd, kunnen vinden. De versie van Calefax steekt alleen muzikaal al met kop en schouders boven de andere arrangementen uit. Geen wonder dat de componist deze bewerking van Raaf Hekkema persoonlijk heeft goedgekeurd.
Maar er valt zoveel meer te beleven dan enkel de nootjes. Calefax heeft er totaaltheater van gemaakt en rietkwintet slaat uitsluitend nog op het aantal spelers dat zich op het podium bevindt. Verschillende soorten slagwerk zijn aan het arrangement toegevoegd evenals een plastic toeter en de menselijke fluittoon. De piano schijnt op alle musici een wonderlijke aantrekkingskracht uit te oefenen. Een soort ‘collectief bewustzijn’ om nog enigszins in de buurt van de spreker die avond te blijven. Om beurten mogen de muzikanten even achter de toetsen plaatsnemen, soms zelf met twee tegelijk, totdat één van beiden jaloers wordt op het spel van de ander. De overige spelers steken hun hand of hele instrument in de vleugel, houden snaren tegen of betokkelen hem als een platliggende harp. Niet zelden tot grote hilariteit van het publiek.
In maart 2010 werd het Calefax Riet Kwintet in Vrij Nederland een klassieke boyband genoemd. De vergelijking met bekende jongensgroepen van weleer is treffend. Geen seconde staan de muzikanten stil, ze bewegen voortdurend over het podium. Behalve voor theater zorgt dat ook voor een zeer ruimtelijke klankverdeling, die is geen moment hetzelfde. Zelfs een blinde zou de bewegingen op het podium kunnen volgen. De jongens dagen elkaar uit, pesten elkaar, proberen elkaar te overtroeven, gunnen elkaar het licht in de ogen niet, maar zingen tegelijk broederlijk in de prachtigste close harmony. Het is daadwerkelijk een soort Take That, al hebben ze in dit geval allemaal het rebelse van Robbie Williams. Wie van de vijf dan voor Mark Owen door moet gaan, moet Paul de Leeuw maar beslissen.
Stockhausen baseerde de twaalf korte melodietjes die de basis vormen van zijn sterrenbeelden, op karaktertrekken van kinderen, familie en vrienden. Voor een complete uitvoering van het werk liet de componist de uitvoerenden redelijk vrij. Elke melodie moest ten minste drie keer gespeeld worden, variatie en improvisatie waren toegestaan. Raaf Hekkema voegt daar in zijn briljante orkestratie nog iets aan toe. Hij maakt als het ware veranderingen binnen bepaalde karaktertrekken duidelijk door de melodie de tweede en derde keer in een andere stem te leggen of een heel andere vorm te geven. Van lieflijke solostem, naar woeste begeleiding of pesterig napikken. Bovendien geeft hij alle twaalf sterrenbeelden behalve een andere melodie, ook een totaal andere vorm. Zelfs voor een dove zou dit een interessant muziekwerk zijn om te bekijken. Geen geringe prestatie.
Ik heb regelmatig tijdens het concert na de lezing in de serie Scherpdenkers, mensen de zaal uit zien glippen. Of publiek ongeduldig op een horloge zien staren. Hoewel de muziek van Stockhausen, net als die van Oestvolskaja of Kurtág in eerdere edities, zeker niet bij iedereen even geliefd moet zijn, boeide de uitvoering van Calefax de hele zaal tot de allerlaatste klank. Als je op deze manier mensen kunt interesseren voor moderne klassiek muziek, behoor je tot de hele groten.
Ik heb slechts een heel klein minpuntje kunnen ontdekken. Calefax begon het concert met het sterrenbeeld ‘Waterman’, en dat is vreemd. Het was de bedoeling van Stockhausen dat men zou beginnen met het sterrenbeeld dat de dag van de uitvoering aan de hemel stond, in dit geval dus ‘Stier’. Nu kan ik begrijpen dat men door de jetlag wat van slag was, maar dan moet er toch altijd wel een Privé, Story of ander vakblad in de buurt geweest zijn met een astrologische rubriek. Dan hadden ze kunnen zien dat de dierenriem altijd begint met het sterrenbeeld ‘Ram’. En dat zeg ik heus niet omdat ik zelf toevallig op 13 april geboren ben.
@CALEFAXOne of the most interesting bloggers in The Netherlands writes about Calefax' concert in Eindhoven. http://tinyurl.com/2wnhmsk (in Dutch)
Gevallen engel
Het was op een grijze, regenachtige najaarsochtend in 2004. Ik was net een paar maanden bevoegd om zelfstandig als machinist op de vrije baan te werken. Ik reed de stoptrein van Eindhoven naar Breda, toen ik bij de laatste overweg iets dicht tegen de grond zag bewegen. In eerste instantie dacht ik dat het twee vogels waren, vooral omdat ze bleven zitten terwijl de bomen sloten. Het komt vaak voor dat kraaien of andere aaseters zich tegoed doen aan de kadavers van doodgereden dieren. Ik toeterde een keer toen ze naar mijn gevoel te lang bleven zitten.
De regendruppels en de slechte ruitenwissers op de trein hadden mijn beeld echter schrikbarend vertekend. Wat er vervolgens gebeurde liet mijn hart een paar slagen overslaan. In plaats van vogels die wegvlogen, kwam er een jonge vrouw overeind die mij een ogenblik recht in de ogen keek...
Mozarts Eine kleine Nachtmusik valt voor mij in dezelfde categorie als de Radetzkymars of An der schönen blauen Donau, beiden van een Johann Strauss, zij het niet dezelfde. Muziek die prachtig kan worden uitgevoerd door André Rieu, een zeer aimabele Limburger, maar waar ik het liefst zo ver mogelijk bij uit de buurt blijf. Je zult mij dan ook nooit bij een traditioneel nieuwjaarsconcert zien.
Waarom zat ik dan wel 14 mei in Muziekcentrum Frits Philips naar het Tafelmusik Orchestra te luisteren terwijl het eerstgenoemde werk op het programma stond? Het was de laatste mogelijkheid mijn kaartje voor een gratis bonusconcert in te leveren. En als het gratis is, kun je het moeilijk laten liggen. Zo Hollands ben ik dan ook wel weer. In zijn als vanouds uitstekend geschreven programmablad, vermeldt Stephen Westra dat Mozart zijn Nachtmusik wellicht componeerde om iets goed te maken tegenover zijn vakbroeders. Met Ein musikalischer Spass had hij hen namelijk op een bewust amateuristische wijze geparodieerd. Wat jammer dat dit laatste werkje niet uitgevoerd werd. Vooral voor een hoornist lijkt het me heerlijk af en toe expres lekker vals te spelen.
Gelukkig had het orkest voor het tweede werk op het programma, Pianoconcert nr. 24 in c KV 491, een zeer bijzondere solist aangetrokken. Niemand minder dan Ronald Brautigam nam plaats achter de fortepiano. Met zijn enorme bos spierwit haar, was hij een lust om naar te kijken. En naar te luisteren, want KV 491 is één van de weinige werken die Mozart in een mineurtoonsoort schreef en daardoor des te opvallender binnen zijn oeuvre. Zijn houding en gedrevenheid deden me af en toe denken aan de veel te vroeg overleden pianist en zanger van Queen, Freddy Mercury. Maar waarom?
Zou het misschien iets te maken hebben met de historische uitvoeringspraktijk, de specialiteit van het Canadese Tafelmusik? Onlangs zag ik de Mariavespers van Monteverdi, uitgevoerd op oude instrumenten. De balans tussen zangers en instrumentalisten was perfect, iets dat niet gelukt zou zijn als het orkest op hedendaags instrumentarium had gespeeld. Van Bachs Matthäuspassion heb ik een originele uitvoering op cd, waar zelfs geen vrouwenstem in voorkomt. Over smaak valt te twisten, maar ik vind het nog steeds de mooiste uitvoering die ik ken. Met moderne instrumenten zouden beide werken al snel te overweldigend zijn, maar geldt dat ook voor Mozart?
Ik denk dat ADHD-er Mozart zijn werk maar wat graag door een modern orkest uitgevoerd had horen worden. In zijn composities probeerde hij zelf al vaak de grenzen op te zoeken, wat een genot zou het dan zijn geweest zijn pianoconcerten op een vleugel te horen. Ook tijdens het laatste werk van de avond, Symfonie nr. 41 ‘Jupiter’ kreeg ik vaak de aandrang de volumeknop een paar tandjes op te schroeven. Niet zozeer om het geluid harder te laten klinken, maar om de dynamiek beter hoorbaar te maken. Nu begreep ik waarom Brautigam me aan Mercury deed denken: als er een echte vleugel had gestaan, dan had hij door de extra mogelijkheden in niets voor een rockartiest ondergedaan.
Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen een historische uitvoeringspraktijk als het een bepaalde meerwaarde heeft. Maar ik denk dat Mozart in veel opzichten zijn tijd vooruit was en muziek componeerde voor het orkest van de toekomst. In dat geval doe je hem alleen maar tekort door strikt vast te houden aan oude instrumenten. Ik zou in ieder geval het advies opvolgen dat zijn landgenoot Falco hem postuum gaf: ‘Rock me Amadeus!’
Koyaanisqatsi
- Life out of balance -
De middelbare school die ik vanaf mijn twaalfde jaar bezocht, had een speciale internationale afdeling. Een afdeling waar wij, als gewone Nederlandse scholieren, weinig mee te maken hadden. Hun lesmethodes waren anders en zelfs hun pauzes lagen op andere tijden. Wel beschikten ze over hulpmiddelen waar zelf de Nederlandse leerkrachten jaloers op waren. Natuur- of scheikundeproeven die voor ons vanwege de kosten niet mogelijke waren, werden op de Engelstalige afdeling uitgevoerd alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ook cultureel leken ze ver op ons voor te lopen. Dat uitte zich vooral tijdens bijzondere gelegenheden.
Bijvoorbeeld tijdens een open dag. De Nederlandse leerlingen presenteerden tekeningen en handarbeidstukjes op tafels in speciaal daarvoor ingerichte lokalen. De Engelse afdeling - waar wij bij hoge uitzondering een kijkje mochten nemen - deed dat heel anders. Zij hadden hun lokalen verduisterd met landbouwplastic. Bezoekers werden verrast met ultraviolet- en laserlicht, pure sciencefiction voor de Nederlandse scholier. Voor mij was het vooral de muziek die me naar deze duistere zijde trok. Elektronische klanken die ik nooit eerder gehoord had, die me in verwarring brachten en tegelijk een gevoel van extase gaven. Al snel kwam ik erachter dat die buitenaardse muziek gecomponeerd was door Vangelis.
Dus ging ik naar de bibliotheek in de stad om platen te lenen, huren eigenlijk, want je moest ervoor betalen. LP’s die ik vervolgens opnam op cassettebandjes. En in zo’n bak met elektronische muziek, vond ik toen ook 1000 Airplaines on the roof van Philip Glass. Vangelis was direct vergeten en ik liet me al snel betoveren door A gentlemens honor en hypnotiseren door de klanken van Einstein on the Beach. Op schoolfeesten deed ik aanvankelijk de eerst jaren nog netjes mee met Sting, The Police en Doe Maar, maar diep van binnen had de Engelse afdeling me voorgoed naar de duistere zijde gelokt, met Philip Glass als Darth Vader.
Ik ging luisteren naar de klassieke muziek die Freek de Jonge tijdens zijn conferences gebruikte, componisten als Louis Andriessen, Carl Orff en Willem Breuker. Via het harmonieorkest waarin ik trompet speelde, kwam ik in contact met de filmmuziek van Ennio Morricone. School was nog slechts iets waar ik overdag naartoe moest. ’s Avonds en in het weekend leefde ik voor de muziek. Een paar jaar later, terwijl ik geacht werd colleges te volgen op de universiteit, leerde ik mezelf arrangeren en componeren uit boeken en partituren van de componisten die ik bewonderde. En niet zonder succes. Ik had alleen totaal niet in de gaten dat ik een eenling was geworden in een voor mij volkomen vreemde wereld.
Terwijl iedereen om me heen een maatschappelijke carrière begon, leefde ik slechts voor de muziek. Zo af en toe, in een helder ogenblik, zag ik dat mijn oude vrienden van me vervreemden. Muziek was voor hen slechte een hobby, geen obsessie. Ik voelde me echter steeds meer aangetrokken tot het duistere, de zelfkant van het leven. Muziekcentrum en schouwburg waren de enige plaatsen waar ik me thuis voelde. Uiteindelijk zag ik nog maar één mogelijkheid mijn leven weer op de rails te krijgen: ik moest mijn trein zelf gaan besturen voordat ik volledig zou ontsporen.
Langzaam vond ik opnieuw de balans tussen dagelijks werk en muziek, al bleef het mysterie van de concertzaal me trekken. Dat bereikte opnieuw een hoogtepunt toen Philip Glass hoogstpersoonlijk naar Eindhoven kwam om samen met zijn Ensemble de film Koyaanisqatsi, Life out of balance, live te begeleiden. Een film uit 1982 met muziek van een 73-jarige. Zou daar nog wel iemand op afkomen? In de taal van de Hopi Indianen betekent Koyaanisqatsi, behalve ‘leven uit balans’, ook zoiets als ‘krankzinnig leven’, ‘leven in verwarring’, of ‘een vorm van leven die om een andere levensvorm schreeuwt.’ Mijn leven in een notendop.
Tot mijn verbijstering was Muziekcentrum Frits Philips tot de nok gevuld. Zo vol had ik het gebouw het laatste jaar niet gezien. Het was duidelijk dat niet alleen mijn eigen leven uit balans was, maar dat velen met mij zich in deze uitdrukking van de Hopi Indianen herkenden. De saamhorigheid was dan ook bijna voelbaar in de zaal gedurende de negentig minuten die de film duurde. Het Ensemble onder leiding van Michael Riesman kreeg een staande ovatie, voor oprichter en componist Philip Glass werd de zaal bijna afgebroken. May The Force be with him!
Deze week reed ik de stoptrein van Heerlen naar Sittard. Op de stuurtafel lag een handgeschreven briefje dat de EP-rem defect was en buiten dienst gesteld. Daar ik het vreemd vond dat het treinstel dan gewoon door bleef rijden en niet in Heerlen werd uitgewisseld, belde ik naar het LBM, het Landelijk Bureau Materieellogistiek. Op een enigszins verontschuldigende toon vertelde de medewerker mij dat de Electro Pneumatische rem slechts een toevoeging was en de Pneumatische rem de enige wettelijke eis voor een trein. Het stel mocht dus gewoon in dienst blijven, al kon ik wel Bijsturing verzoeken de trein uit te wisselen. Op mijn opmerking dat volgens de materieelgids de verkeersleiding ingelicht moest worden, verzekerde hij me dat iedereen die ervan moest weten op de hoogte was. Het treinstel bleek al de hele dag tussen Heerlen en Sittard op en neer te rijden!
Ik bleef het vreemd vinden, maar ging toch op weg. We waren inmiddels al enkele minuten te laat. Pneumatische rem en EP-rem zitten bij een stelletje Mat’64 in dezelfde remkraan. De helft van die remkraan was defect en afgesloten. Dan ga je toch geen risico lopen helemaal stil te komen staan buiten een groot station? De treindienstleider leek nauwelijks op de hoogte te zijn. Alle stop-door-schakelingen stonden gewoon op stop. Normaal betekent dat, dat je bij een geel sein gaat remmen en comfortabel langs het perron tot stilstand komt. Met alleen een pneumatische rem, was de remwerking echter zo sterk dat ik veel minder gedoseerd en daardoor veel harder moest remmen. Bovendien duurde het veel langer om de remmen te lossen. Het gevolg was dat ik al honderden meters vóór het station een vaartje had van ongeveer 15 km/uur. Opnieuw tractie geven dan maar, om niet nog meer tijd te verliezen. Met het gevolg dat ik langs het station weer moest remmen om vervolgens met een schok tot stilstand te komen. Niet bepaald de rijstijl van een kundige machinist.
Ik had natuurlijk om kunnen roepen dat de schokkerige rit werd veroorzaakt door een defecte rem. Eigenlijk had ik volgens de regels van het management de vertraging ook via de omroep moeten verantwoorden. Maar wat als er dan mensen in paniek aan de noodrem getrokken hadden? ‘Help, een trein zonder rem!’ Paniek is in Nederland tegenwoordig zo gezaaid. Waarschijnlijk was het treinstel dan wel onmiddellijk uitgewisseld, maar ten koste van wat?
Gelukkig is Heerlen - Sittard slechts een kort ritje. Toch kon ik het incident niet goed van me afzetten. Het bleef aan me knagen. Tot ik in Eindhoven een collega sprak. Die vertelde me dat ik had moeten weigeren de trein te rijden. Met een halve remkraan buiten dienst is het immers onmogelijk de trein comfortabel te rijden en dat is onze taak; de reizigers op tijd, maar zeker ook op een prettige manier vervoeren. ‘Je hebt ten slotte ook nog je beroepstrots,’ besloot hij het gesprek.
Dat was natuurlijk wat me dwars zat. Ik had een trein gereden die wettelijk nog net door de beugel kon, maar die ik met mijn beroepseer onmogelijk tegenover mijn reizigers kon verdedigen. Die moeten gedacht hebben dat er een hele slechte machinist in de cabine zat. En omdat het mijn stijl niet is via de omroep de schuld bij een ander te leggen, had mijn beroepseer daarmee een flinke deuk opgelopen. Als machinist probeer je de reiziger nu eenmaal altijd net iets meer te geven. Jammer dat sommige mensen met het wettelijk minimum genoegen nemen.