Dat de brandende zon voor veel problemen op het spoor kan zorgen, is bekend. En soms beïnvloedt een weigerend contactpuntje ook de waarnemer.
Op een broeierige dag reed ik de intercity van Den Bosch naar Utrecht, toen ik bij Oud-Zaltbommel voor een rood sein stil kwam te staan. Vreemd, want de overweg erachter lag wel dicht. Twee oude mannen stonden er te praten, fiets aan de hand. De treindienstleider kon me niet vertellen wat er aan de hand was. Hij probeerde door een paar keer met de wissels te schuiven het sein op andere gedachten te brengen. Het enige gevolg was dat de spoorbomen diverse keren dicht en weer open gingen. Het sein bleef echter halsstarrig doorgang weigeren.
Uiteindelijk mocht ik op aanwijzing van de treindienstleider het rode sein passeren. Langzaam reed ik op de nu openliggende overweg af. Hoofdschuddend bekeken de twee mannen de onkunde van de Nederlandse Spoorwegen. Bomen dicht, trein staat stil. Bomen open, trein gaat rijden. Dat was in hun dagen wel even anders. Tegelijk waren ze blij dat ze nog eens van nut konden zijn.
Ze pakten hun fietsen en plaatsten die, na er zich op een overdreven manier van te hebben vergewist dat er geen verkeer aankwam, dwars op de weg. Eén van de mannen maakte vervolgens met grootse gebaren duidelijk dat de trein door kon rijden. Ze hadden de zaak volledig onder controle. Net op dat moment had ik echter het kritieke punt bereikt waarop de overweg in werking trad. De belletjes begonnen te rinkelen en ik wachtte tot de bomen weer gesloten waren.
Dat pikten de mannen niet. Ze waren misschien wel oud, maar beslist nog niet seniel. Als hun hulp niet gewaardeerd werd, wilden ze niets meer met de spoorwegen te maken hebben. Ze schoven hun fietsen aan de kant en keken demonstratief de andere kant op over de velden. Zolang ik ze in beeld had keurden ze de trein geen blik meer waardig.